Tags

, ,

# De lidstaten besloten ditmaal [1 januari 1973] zelf antwoord te geven op de vraag naar de reden van hun samenzijn. In december publiceerden de negen regeringsleiders, bijeen in Kopenhagen, de genoemde ‘Verklaring over de Europese identiteit’ om de wereld en hun bevolkingen te vertellen wie ze waren. Uitgangspunten waren – net als twee decennia eerder – de gezamenlijke wil oude vijandschappen te overkomen en de overtuiging dat een Europese eenheid noodzakelijk was voor ‘het overleven van de gemeenschappelijke beschaving’. Die laatste bleek naar inhoud moeilijk te definiëren. Men hield het op een ‘variëteit van culturen in eenzelfde Europese beschaving’, ‘gemeenschappelijke waarden  en beginselen’, ‘dezelfde levenshoudingen’. De buitenwereld (en misschien het eigen publiek) werd gerustgesteld dat de Europese eenwording ’tegen niemand gericht’ en ‘geïnspireerd door geen enkele machtswil’ was.

En dat terwijl vanaf de eerste opbouw van het Europese Huis sprake was van eindeloze machtsstrijd tussen de regeringsleiders.

# De Europese identiteit scheen een onidentificeerbaar dun vlies tussen pluraliteit naar binnen en een zacht universalisme naar buiten. In een politieke vertaling van deze algemeenheden vonden de Negen vastere grond. Zij wilden pal staan voor ‘de beginselen van de representatieve democratie, van de rechtstaat, van sociale rechtvaardigheid – het einddoel van economische vooruitgang – en van de mensenrechten.’ Een ander opvallend element was dat de lidstaten de ‘constructie van een [- let wel: geen ‘het’- , jw]  verenigd Europa’ zelfs tot de gezamenlijke identiteit rekenden. De breuk met het verleden uit 1950 had inmiddels een eigen geschiedenis.

Hier staan (politiek)filosofisch boeiende opmerkingen. Wat hier als ‘zacht’ universalisme wordt omschreven, blijkt gewone ideologie te zijn van de politieke leiders van de jaren vijftig tot zeventig. Ideologie is namelijk dogma omdat vandaag de dag blijkt – in verband met het thema referenda – dat ‘de beginselen van de representatieve democratie’ alleen standhouden in tijden van politiek stabiele tijden van wederopbouw, en een nieuwe maatschappelijke ordening in de vorm van de – toen – moderne verzorgingsstaat die opgetuigd werd. Vandaag met alle technische knowhow en digitale innovaties is de representatieve absoluut niet meer vanzelfsprekend. ‘We zijn op weg naar de directe democratie’, al is het houden van referenda daarvan geen bewijs. Het verkeert in ‘statu nascendi’.

Wat wel uniek mag worden genoemd is het beginsel van ‘sociale rechtvaardigheid als einddoel van economische vooruitgang’, basis voor toen nieuw te ontwikkelen de verzorgingsstaat. Dat de huidige lappendekens in de EU met verschillende varianten sinds de economische crisis zwaar beproefd werd en gesaneerd moest worden, maakt het bestaansrecht van die verzorgingsstaat niet minder geldig en legitiem. Maar er is niet nagedacht over het – geleidelijk gegroeide – contrast tussen de Europese verzorgingsstaten en de buiten het Europese continent afwezigheid daarvan. Dat leverde economische, en met name concurrentiefricties, op. Om een voorbeeld te noemen van de praktijk: waar op het Europese continent in een aantal landen – niet alle – een infrastructuur van verzorgingshuizen ontstond, gold in andere landen – verreweg de meerderheid – dat ouderzorg een familieaangelegenheid was. Geen overheids(premie)kosten aldaar en dus geen last voor de overheidsbudgetten. Maar dat was alleen maar mogelijk vanwege familietradities, die een/de ontwikkeling van een hypermoderne economie tegenhielden en zelfs blokkeerden. Sterk ontwikkelde Noord-Europese economieën met hun vaak degelijke transportfaciliteiten, brachten een grote voorsprong van Noord-Europeanen, terwijl de zuidelijke landen nog zuchtten onder dictaturen, zoals hieronder wordt beschreven.

Terugkerend naar het einddoel van de economische ontwikkeling dat zou bestaan – lees: dient te bestaan – uit sociale rechtvaardigheid, is niet alleen een utopie gebleken ‘tijdens de rit’, maar is sinds de schuldencrisis ook een onuitvoerbaar ideaal geworden. Er bestaat bij alle saneringen van overheidsfinanciën en dito schuldenlasten geen sociale rechtvaardigheid meer binnen de EU, tenzij Thomas Piketty en John Rawls geïmplementeerd worden. Deze sociaaleconomische onevenwichtigheid is de oorzaak van de huidige sociale opstand (al dan niet via het populisme) binnen de EU, dat Europa ook aan de rand van de afgrond heeft gebracht. Een dubbele identiteitscrisis, onvergelijkbaar met het moeizaam zoeken naar identiteit uit de opbouwfase. Dubbel, omdat de EU nu als de IC-patiënt kan worden beschouwd.

# Deze oefening in zelfbepaling door de Negen markeert, ondanks de holle frasen, een dubbele culturele wending. Ten eerste: het discours over de Europese waarden, identiteit en cultuur werd door het hoogste politieke gezag gelegitimeerd. In dat opzicht was wat in de verklaring stond van minder belang dan dat er was gesproken. De Duitse strategie was officieel ingezet; hierboven [p.340] bleek hoe men dit in Gemeenschapskringen vanaf 1971 als aanknopingspunt voor Europese cultuurpolitiek gebruikte. Ten tweede: de lidstaten definieerden zichzelf in Kopenhagen explicieter dan tevoren als een kring van Europese parlementaire democratieën. Wellicht speelde mee dat nieuwkomers Groot-Brittannië en Denemarken oude en zelfbewuste nationale parlementen in de lidstaten brachten.

# Dit zelfbeeld ging twintig jaar mee. Naar buiten toe hadden de Negen inderdaad de uitstraling van een democratische kring. Dit bleek eens te meer toen vanaf midden jaren zeventig de dictaturen in Griekenland, Spanje en Portugal de overgang naar de parlementaire democratie maakten. De jonge regeringen klopten bij de Negen aan. Ongetwijfeld hadden ze ook de voordelen van de gemeenschappelijke markt en de Europese subsidies op het oog, maar het verlangen naar inbedding in een democratische omgeving – denk aan Spanje na de mislukte coup van 1981 – was volgens waarnemers een hoofdmotief. De Europese ledenkring groeide qua identiteit probleemloos van Negen tot Twaalf.

Niemand dacht aan de werking van de wet van Murphy en dat de organisatieadvieswereld uitgaat van de inherente logica van een optimale omvang van een organisatie; te groot en succesvol leidt tot de eigen ondergang. Karel de Grote was historisch de eerste veroveraar – na de Romeinen – dat dat principe ontdekte en inhoud heeft gegeven door de constructies van leenheren. Waar Rome spontaan verviel vanwege overtreding van dat beginsel, kwam er pas na de dood van Karel de Grote de klad erin omdat hij geen opvolgers had benoemd, zo leert het college sociale en economische geschiedenis.

(wordt vervolgd)

Advertisements