Tags

, ,

Naast Mathijs Segers wordt hierbij een andere Europaspecialist toegevoegd, te weten Luuk van Middelaar met zijn De passage naar Europa (2009), maar niet in chronologische volgorde, maar willekeurig. Beide auteurs zijn historici, maar Van Middelaar ook filosoof.

Waarom zijn we samen?

# Terwijl de Europese binnensfeer worstelde met de vraag Hoe worden we één?, was in de tussensfeer van de leden de zich opdringende vraag Waarom zijn we samen? Deze vraag had niet zozeer trekken van een opdracht of een missie; ze resulteerde dan ook niet in een grote dadendrang. Wel dwong ze tot zelfonderzoek, met grote politieke gevolgen.

# Het sinds zestig jaar durende zelfonderzoek door de leden is te vergelijken met een kampvuur: een kring van gelijken die elkaar verhalen vertellen, herinneringen ophalen, de rekening opmaken van hun positie in de samenleving. De identiteit van de kring wordt, meer dan door de regels, bepaald door de leden. Steeds opnieuw onderbreekt het (mogelijke) aanschuiven van extra leden het gesprek, de kring gaat open, een nieuwe intimiteit moet worden gevonden, de verhalen aangepast. De zelfdefiniëring van de steeds groter wordende kring heeft geen vrijblijvend karakter; de leden namen haar buitengewoon serieus. Bij elke vaststelling van de grondslag, van Parijs 1951 tot Lissabon 2007, streven diplomaten om de woorden [te vinden] die de gezamenlijkheid een plaats konden geven in de geschiedenis en in de wereld. Sinds lang worstelt Europa met de spanning tussen de continentale belofte die het in zich draagt en de willekeur van het ledental.

# Deze spanning ontstond met de stichting. De Zes vertegenwoordigden maar een klein deel van het Europese statengezelschap. Ze konden zich dus niet beroepen op overkoepelende culturele waarden of historische ervaringen van het continent als geheel. Toch was dat wel verleidelijk. In het stichtingspact van 1951 erkennen de Zes dat hun verleden er een is van ‘eeuwenlange rivaliteit’ en ‘bloedige strijd’. Die geschiedenis, weliswaar gedeeld, is juist datgene waaronder ze een streep willen zetten. De stichterstaten noemen zich ‘vastbesloten (..) de eerste grondstenen te leggen voor een grotere en hechtere gemeenschap tussen lange tijd (..) verdeelde volkeren.’ De belofte van het nieuwe begin zou des te groter zijn als ze ook andere Europese landen omvatte. Daarom zetten de stichters hun verband open voor ‘elke Europese staat’. De uitnodiging werd in het past van 1957 herhaald.

# Het was ook in cultuurpolitiek opzicht een gewichtige stap. Hij droeg de belofte in zich: vandaag wij Zessen, in de verre toekomst heel Europa. Dankzij deze teleologische wending kon de culturele en historische meerwaarde van het gehele continent alsnog worden gemobiliseerd, dankzij het pars pro toto de naam ‘Europese Gemeenschap’ zonder gêne uit te dragen. Tegelijk bemoeilijkte de open uitnodiging aan niet-leden de ontwikkeling van een identiteit voor de kring hier en nu. Stel dat er, afgezien van het verre telos, geloofwaardige verhalen waren om het eigen publiek te wennen aan de Zes, zouden die ook nog gelden voor Zeven, Acht, Negen, Tien of meer? Mettertijd zouden de lidstaten merken dat de open deur een dynamiek in gang zette die het publiek meer van de gezamenlijkheid vervreemdde dan eraan bond. Die open deur bracht willekeur, steeds nieuwe willekeur, die moeilijk tot verhaal viel te maken.

De term ‘open deur’ die hier wordt genoemd – die een bepaalde ‘dynamiek’ in gang zette – heeft zijn recente pendant of herhaling gekregen in de vluchtelingencrisis/stroom van de afgelopen twee jaar, die ook een vervreemding veroorzaakte van de EU-leden. Geen binding, maar verwijdering zit dus klaarblijkelijk in het DNA van de EU. Geen of wel toeval?

# Van de opeenvolgende ledentallen, van Zes tot Zevenentwintig, vond alleen het eerste een historische bodem. Wel was het een andere dan eerst scheen. Niet eenzelfde hemel bracht hen samen, maar dezelfde aarde.

Deze vergelijking met de periode van Zes-plus gaat met de vluchtelingenstroom die op gang kwam sinds de burgeroorlog in Syrië en Irak, gaat dus niet op. Maar in de toekomst zal de huidige mondiale in stand blijven vanwege de enorme welvaartsverschillen die wereldwijd bestaan en sterker, de mega contrasten tussen diepe armoede en exorbitante rijkdommen binnen naties, maar ook binnen continenten.

# In de beginjaren hing een sterke katholieke geur rond het kampvuur van de Gemeenschap. De leidende oprichters waren christendemocraten: Schuman in Frankrijk, Adenauer in Duitsland, De Gasperi in Italië. Deze drie politici kenden bovendien een belangrijke rol toe aan het geloof bij de (morele) wederopbouw van het continent. Gevolg was dat sommige buitenstaanders ‘Europa’ als een Vaticaans complot zagen. Antikatholieke vooroordelen speelden mee in de beslissing van de Britse Labourregering niet met het mijnbouwplan mee te doen. De onderminister van buitenlandse zaken noteerde in zijn dagboek dat initiator Schuman, vroom christen en vrijgezel bovendien, onder de invloed van priesters stond en dat diens plan ‘just a step in the consolidation of the Catholic ‘black international’’ zou kunnen betekenen. Ook de Zweedse sociaaldemocratische premier Erlander was huiverig  tot een overwegend katholieke Gemeenschap toe te treden. De Nederlandse sociaaldemocratische premier Drees was evenmin enthousiast, maar zijn land deed toch mee. Wel zorgde Drees er twee jaar later voor dat zijn regering als enige géén katholiek naar de Raad van ministers zond – volgens de anekdote nadat de dochter van de Italiaanse premier op een receptie tegen hem had opgemerkt hoe fijn het was dat de Gemeenschap straks door zés katholieke ministers zou worden bestuurd. De andere vijf waren Schuman, Adenauer, De Gasperi, de Belg Van Zeeland en de Luxemburger Bech. Aangezien de post vanwege het partijevenwicht in zijn nieuwe coalitieregering evenmin naar een socialist kon gaan, deed Drees een beroep op de partijloze Beyen. Wat hiervan te maken? Het katholicisme zorgde voor affiniteit tussen enkele pères fondateurs en bood als universele religie een zeker tegengif tegen het nationalisme; wat dat betreft paste het uitstekend bij het naoorlogse vredesaspect, bij Europa als nieuw, zuiver begin. Toch viel er geen gezamenlijke identiteit op te bouwen. Eén van de leden was naar zelfbeeld een protestantse natie; een ander had ruwweg evenveel katholieke als protestantse inwoners. De Zes konden en wilden geen ‘katholieke club’ zijn.

Uit deze laatste zinnen mag worden opgemaakt dat we inmiddels gelukkig zo’n geseculariseerde samenleving zijn geworden dat het kerkelijke of godsdienstige onderscheid geen (enkele)  rol meer speelt in de Unie en dat mag een wezenlijke vooruitgang – ‘een wonder’ – worden genoemd. Waar men vroeger toch problemen over kon maken…

(wordt vervolgd met hetzelfde hoofdstuk III: De zoektocht naar publiek)

Advertisements