Stimuleer EU-landen die wel nauwer willen samenwerken (Jaap de Zwaan, opinie/Trouw, 5 juli)

‘Krijgt de ene lidstaat iets, dan wil de andere dat ook. Dat doet de reputatie van de unie geen goed.’

# Uitzonderingen maken, doet men echter ongaarne. In de onderhandelingen zorgt het vaak voor impasses en vervelende situaties. Bovendien: krijgt de ene lidstaat iets, dan wil de andere dat ook. Dat doet de reputatie van de unie geen goed. Het lijkt dan ook beter om niet zozeer landen met problemen tegemoet te komen, maar juist landen die verder willen gaan te faciliteren. Een belangrijk instrument daartoe is al voorhanden: het beginsel van ‘nauwere samenwerking’ dat in 1997 in de verdragen is opgenomen. De unie bereidde zich toen voor op de komst van twaalf nieuwe lidstaten uit Midden- en Oost-Europa. De oude lidstaten voorzagen al dat de integratie van oude en nieuwe lidstaten niet zo makkelijk zou gaan. De voorwaarden om ‘kopgroepen’ te vormen zijn destijds echter zeer streng geformuleerd. Aan de onwillige lidstaten werd bij wijze van spreken een vetorecht gegeven. Eigenlijk werd het zo onmogelijk om een kopgroep van start te laten gaan. Sinds het Verdrag van Amsterdam zijn weliswaar enkele versoepelingen ingevoerd, maar het blijkt in de praktijk niet genoeg te zijn.

Weer diverse weeffouten dus. Maar ook een ander aspect speelt een rol dat nooit aandacht heeft gekregen. Wisselende regeringscoalities in de lidstaten en om de vijf jaar wisselende Europese Commissies zorgen voor een gebrek aan ingewerkte nieuwe ‘portefeuillehouders’, dus zowel op nationaal als op intergouvernementeel EU-niveau, zodat alle mogelijke ruimte werd gecreëerd om er een lappendeken van te maken en dat is in de praktijk ook ruimschoots gebeurd.

# Dat is dus een punt voor de top van EU-leiders in Bratislava van 16 september: geef geen uitzonderingen aan degenen die niet verder willen, maar faciliteer lidstaten die dat juist wél willen. Daartoe moet de drempel om nauwere samenwerking mogelijk te maken, gevoelig worden verlaagd. Wel zou een groot aantal landen mee moete doen, bijvoorbeeld de helft van alle lidstaten als ‘kritische massa’. Er moet ook een betrokkenheid zijn van de Europese Commissie en het Europees Parlement om het proces te legitimeren.

# Tegelijkertijd moet een ‘minimum’-inhoud van het EU-lidmaatschap worden aangegeven: als landen zich daar niet aan willen committeren, kunnen zij zich geen lidstaat van de unie noemen. Voorwaarde is uiteraard dat landen mensenrechten en de rule of law respecteren. Daarnaast zou dat minimum-lidmaatschap moeten bestaan uit deelname aan de interne markt, met inbegrip van vrij personenverkeer, en nog een paar zaken, zoals Europees vreemdelingenbeleid (asiel en immigratie) en buitenlands- en veiligheidsbeleid. Andere zaken daarentegen kunnen of collectief worden aangepakt óf met de genoemde kleinere groepen.

Dit klinkt als een praktische oplossing van kleinschalige strubbelingen en vormen van tegenwerking en dwarsigheid, maar waar de juridische inhoud van het lidmaatschap in de verdragen vaststaat, daar kun je in de praktijk geen ‘halve’ of materiële lidstaten introduceren. In dit plan van de auteur bestaan dus onevenwichtigheden, maar de gedachte als zodanig is erg praktisch.

# De oplossing is dus een breed algemeen programma, met een minimum-pakket van beleidsterreinen waar iedereen aan moet meedoen. Daarboven uit echter is ruimte voor samenwerking in kleiner verband. Deze benadering is veel makkelijker uit te voeren en plezieriger dan steeds te moeten vechten om uitzonderingen te krijgen. Met alle gevolgen van dien, zoals de huidige onrust – politiek, economisch en maatschappelijk – in het VK.

Deze hervormingen zijn de moeite van het overwegen waard. Pakt ‘Brussel’ – lees: de lidstaten – dit op? Het is te hopen, want anders blijft men daar ziende blind en horende doof. Daar hebben we dus, zoals de praktijk ruimschoots heeft aangetoond, niets aan.

[auteur Jaap de Zwaan is lector Europese integratie aan De Haagse Hogeschool]

Advertisements