Tags

, ,

Europeanen en democratie

# En dan is er ook nog iets anders aan de hand, iets paradoxaals, iets fundamenteels. Inspanningen voor meer Europese democratie werken averechts. Juist de toegenomen inspraakmogelijkheden voor Europeanen, de uitbreidingen van competenties van het Europees Parlement, de campagnes en initiatieven waarmee democratische betrokkenheid van de mensen bij de EU gepropageerd wordt, zoals het promoten van het Europees burgerschap – al die acties bewerkstelligen het tegenovergestelde van wat de EU ermee beoogt. Soms is de ironie hemeltergend. 2013, een van Europa’s zwartste jaren sinds de Tweede Wereldoorlog, was ook het feestelijk jaar van de Europese burger.

Bij deze passage wil ik uitvoerig stilstaan omdat de auteur naar mijn gevoel onbewust – hierna wordt dit uitgewerkt – aanstipt waar het kernprobleem van de EU om draait. Allereerst de opmerking dat ‘er ook nog iets anders aan de hand, iets paradoxaals, iets fundamenteels’. ‘Iets paradoxaal én iets fundamenteels’ in één zin zo samengevoegd, is een vreemde (zins)constructie. Het klinkt op het eerste gehoor als een tegenstrijdigheid, maar is dat natuurlijk niet. Paradox betekent immers schijnbare (of ogenschijnlijke) tegenstrijdigheid en dat ‘schijnbare’ karakter is op zichzelf niet goed en niet slecht. Iets fundamenteels kan praktische tegenstrijdigheden in zich dragen. De EU is sinds het Verdrag van Lissabon wordt democratie in artikel 2[1] omschreven, maar tegelijkertijd verbonden aan pluralisme, non-discriminatie, verdraagzaamheid, rechtvaardigheid, solidariteit en gelijkheid van vrouwen en mannen. En dat pluralisme, non-discriminatiebeginsel en gelijkheid van vrouwen en mannen betekent vaak in de praktijk van alle dag een feitelijke tegenstrijdigheid.

Het kernprobleem is dan wat te doen – als burger, maar ook als overheid – om de negatieve uitkomsten van deze tegenstrijdigheden tegen te gaan. Zoals ik ook in mijn serie ‘Geloof & politiek’ probeer aan te kaarten is het minderhedenvraagstuk en het migrantendebat nooit politiek tot een afronding gekomen en daarom lopen daar nu ook mee vast waar het om islamitisch gedrag gaat, dat als provocerend mag worden beschouwd, zoals bij de volgelingen van de politieke islam. Deze mensen tonen in de praktijk aan dat ze niet zijn geïntegreerd in de Nederlandse samenleving en ‘lak’ hebben aan de westerse democratie-opvatting, want de scheiding tussen religie en staat kennen zij vanuit hun land van herkomst niet. In fundamentalistische en dus sharialanden geldt de eenheid tussen Koran en staat en dat staat haaks op ons democratiebegrip. Deze extremistische moslims hebben dus in ons land niets te zoeken, behalve dat het hun missie is om hun geloof te verspreiden zoals wij in vroeger tijden onze missionarissen kenden die de wereld overtrokken om te kerstenen. Maar in het eigen tijdsbeeld past een dergelijke fundamentalist niet in ons land als staatsburger met een Nederlands paspoort. En ik heb afgelopen week ook een blog geschreven met het voorstel om uit te nodigen haatimams te kunnen weigeren door de organisatoren voor een hoorcommissie in de Tweede Kamer uit te nodigen (als vertegenwoordigers namens de gemeenten) om uit te leggen en duidelijk te maken dat de beoogde spreekbeurt niet strijdig is met de Nederlandse wet- en regelgeving. Terug naar het citaat van Segers.

‘Inspanningen voor meer Europese democratie werken averechts. Juist de toegenomen inspraakmogelijkheden voor Europeanen, de uitbreidingen van competenties van het Europees Parlement, de campagnes en initiatieven waarmee democratische betrokkenheid van de mensen bij de EU gepropageerd wordt, zoals het promoten van het Europees burgerschap – al die acties bewerkstelligen het tegenovergestelde van wat de EU ermee beoogt.’

Is dit geen volkomen vanzelfsprekende ontwikkeling geweest, zo meen ik retorisch te mogen vaststellen?

Het eerste argument is dat het genoemde jaar 2013, dat als het jaar van de Europese burger werd bestempeld of zelfs ingesteld (en dus moest worden), nog midden in de eurocrisis werd afgeroepen. Dat is niet zo slim bedacht. De hele EU ging nog gebukt onder de loodzware bezuinigingsoperaties en hadden dus wel andere zaken aan hun hoofd. En met name die mensonterende bezuinigingen hebben de grootste euroscepsis opgeroepen die maar denkbaar was. Een stommiteit om die afkeer van Europa/EU te pogen te neutraliseren om de Europese burger op een voetstuk te plaatsen. Daar trapt niemand in. En zeker niet omdat het waarschijnlijk helemaal niet bekend was dat het ‘Jaar van de Burger’ was uitgeroepen, want dit is voor het eerst dat ik daarover lees.

Ten tweede zouden we symbolisch kunnen spreken van een tienjarige derde wereldoorlog met financieel-economische machtsbolwerken – lees: mondiale investeerders – in dit huidige tijdsbestek, dat alleen maar kommer en kwel op ons af deed komen – vanwege omvallende banken – en dus nog helemaal geen eindstreep van die narigheden zichtbaar was. Wat de mensen alleen bezighield was de ziekmakende vraag: Waarheen met de EU? Gaat de EU het overleven?

In de derde plaats is er dus helemaal geen aanleiding om vast te stellen: ‘Soms is de ironie hemeltergend.’ Er was kortom en concluderend helemaal geen draagvlak om een Europees Jaar van de Burger af te roepen. En zolang er in de EU-praktijk van alle dag geen gevoel aanwezig is dat de EU-burger ook echt een rol toebedeeld heeft gekregen, hoef je ook niet in alle schijnheiligheid die burger te verheffen, want zoals Segers in zijn vervolg zal opmerken heeft de EU nooit rekening gehouden met het democratiebegrip. Dat is dé blunder geweest van de oprichters van de eerste instellingen van de Europese samenwerking: het ging puur en alleen om economische samenwerking. Maar dat een dergelijke intensieve samenwerking moest uitlopen in en eindigen met een muntunie als slotakkoord, dat vereiste ook een ‘vorm’ van minimale politieke overeenstemming, waarmee tevens een vorm van minimale politieke unie zou moeten ontstaan. Ik heb dat minimale karakter inmiddels – ten tijde van de brexit – vertaald in het concept van de Europese Confederatie[2], want het enige (en nog mondiaal niet-bestaande) model dat de EU kan redden. Ook een experiment dus, maar wel een dat in de praktijk van alle dag al bestaat, want de huidige EU komt daarop neer.

 Met alle tegenwerking m.b.t. de echte democratie en democratische controle die het Europees Parlement heeft ondervonden, was de EU een nog groter ver-van-ons-bed-verhaal geworden, dan het al was. De Europese burger als participant moest dus nog ontdekt worden. Die opdracht mag de EU vanaf heden gaan aanpakken. Zonder een EU-burger ook geen democratie, al staat dat begrip wel genoemd in het actuele Verdrag van Lissabon. Dat is de reëel bestaande – dus inherente – tegenstrijdigheid van de huidige EU, met al zijn gebreken. ‘Repareren!’ luidt de opdracht.

https://aquariuspolitiek.wordpress.com/2016/07/04/nieuw-type-eu-debat-nodig-deel-9c-mathieu-segers-waagstuk-europa-eu-brexit-mathieullsegers-tweedekamer/

Nieuw type EU-debat nodig (deel 9c) Mathieu Segers: Waagstuk Europa @eu #brexit @MathieuLLSege… https://aquariuspolitiek.wordpress.com/2016/07/04/nieuw-type-eu-debat-nodig-deel-9c-mathieu-segers-waagstuk-europa-eu-brexit-mathieullsegers-tweedekamer/ via @wordpressdotcom

Fb:

# In Brussel vierde men het jaar van de burger onder de slogan EYC2013. De boodschap die erbij hoorde: ‘It is about Europe, it is about you’. Het stond in het teken van voorlichting over zaken als garanties bij online shoppen, roamingkosten bij mobiel bellen, toegang tot zorg en studentenuitwisseling. Vrijwel niemand heeft er iets van gemerkt. Gewone Europeanen zullen er weinig geweest zijn op EYC2013-evenementen. Terwijl er in Brussel budgetten gespendeerd werden om de juridische constructies rond het Europees burgerschap toe te lichten en aan de man te brengen, vraten de armoede en onzekerheid om zich heen. Brussel hoort daar eerder bij dan enthousiasme voor zoiets als Europees burgerschap.

Dit klinkt niet alleen armzalig, maar ook amateuristisch.

# Alle pogingen om het wantrouwen van de Europeanen tegen Brussel te doen verminderen, of recht te doen aan het steeds vaker uitgeschreeuwde ‘democratische tekort’ van de EU, hebben één ding gemeen. Ze werken niet. De Europeanen worden er alleen maar sceptischer van. De legitimiteit van het integratieproces komt er alleen maar meer door onder druk te staan. Hoogst ongemakkelijk en frustrerend voor de ambtenaren, belangenorganisaties en politici die de EU met de beste bedoelingen beter willen toeleggen. Hoe kan dit?

Uitingen van politieke onbenulligheid.

# Europeanen vermoeden dat er iets niet klopt met de democratie in Europa. Ze hebben daar sterke aanwijzingen voor, bijvoorbeeld in de manier waarop de schuldencrisis wordt aangepakt. Maar hun vermoeden gaat ook terug op feiten. Hun wantrouwen is terecht.

# In de eerste verdragen van de Europese integratie, waarmee de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS), 195) en de Europese economische Gemeenschap (EEG, 1957) werden opgericht, kwamen de woorden ‘democratie’ of ‘democratischniet op. Misschien is dat vreemd. Maar nog vreemder is dat die woorden ineens wel te pas en te onpas vallen in de Europese verdragen van tegenwoordig. In de preambule van het Verdrag van Lissabon (het verdrag dat nu van kracht is in de EU) verbindt de EU zich aan democratie als een fundamentele waarde. Historisch gezien is die geloofsbelijdenis best apart.

# In de jaren vijftig, de stichtingsjaren van de Europese integratie, kwam het bij Jean Monnet, de vader van de Europese integratie, niet op om de Europeanen naar hun mening te vragen. Immers: wat moesten zij zeggen over een ‘gemeenschap waar de geen praktische ervaring mee hadden. De integratie werd gebouwd op iets anders dan een Europese democratie.

# ‘Toekomstige lotsverbondenheid’ en een ‘steeds hechtere eenheid’ van de lidstaten, dat was wat er vanaf het begin wel in de verdragen stond. Het integratie[proces werd gezien als een vrucht van de naoorlogse verlichting [bedoeld wordt waarschijnlijk ‘economische wederopbouw’, jw]. Daarin draaide het om rationele beleidsvorming, schaalvergroting en slimme bovenstatelijke technocratie. Zaken die de stabiliteit en welvaart ten goede kwamen, en samenwerking stimuleerden. Daar had iedereen baat bij. Maar een Europese democratie was daar geen onderdeel van. Dat was ook niet nodig. De stichters zaten er niet op te wachten. De bevolkingen van de lidstaten wilden het niet. De constitutionele democratie bleef een onderdeel van iets anders: de naoorlogse natiestaat.

De toenmalige Commissies konden niet bevroeden dat deze tweedeling tussen Europese samenwerking en de natiestaten later wel in een noodzakelijk integratieproces gingen of gedwongen werden tot harmoniserende samenwerking. Een convergentieproces in hedendaagse termen.

# In Europa ging het om andere dingen. Op het verheven niveau van het Europese beleid moest de rede zoveel mogelijk prevaleren. Alleen zo kon ook op de langere termijn samenwerking gegarandeerd worden, en beschermd tegen de politieke waan van de dag [sic! Wat werd hiermee bedoeld?, jw]. Of zoals Monnet het samenvatte: ‘Niets is mogelijk zonder mensen, niets is duurzaam zonder instituties.’ Die instituties kwamen er voor het maken en uitvoeren van Europees beleid, maar voor de democratie kwam er geen Europese institutie.

Weeffoutje, bedankt!

# De supranationale instituties van Europa, zoals de Europese Commissie, werden kerken waarin de waarden van rationele beleidsplanning gevierd en gekoesterd werden. De hoogmis werd er opgedragen door juristen en economen. Het [commissarissen en interne werknemers en , jw] publiek bleef er elitair. Na de oorlog sloot dat allemaal prima aan bij de volkswil in de lidstaten, zeker. Maar dat betekende niet dat die volkswil er ook echt een onderdeel van werd. Dat is eigenlijk nooit gebeurd. Daarom is het misschien niet zo raar dat Europeanen zich nog steeds erg weinig betrokken voelen bij de Europese Parlementsverkiezingen.

# Hun geschiedenis heeft ze bovendien geleerd dat ze bureaucratische en internationaal-politieke projecten maar beter wantrouwend kunnen bekijken. Ze houden daarom voortdurend rekening met een complot of een samenzwering die de individuele veiligheid en vrijheid zal bedreigen. Als nationale helden een dergelijk project niet langer omarmen, vervliegt de dunne legitimiteit ervan. Die komt en gaat te paard. Zo gaat dat in het gevoelsleven, als de verbintenis een opportunistische is.

(wordt vervolgd: Nederland en de illusie van het functionalisme)

[1] Artikel 2

De waarden waarop de Unie berust, zijn eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten, waaronder de rechten van personen die tot minderheden behoren. Deze waarden hebben de lidstaten gemeen in een samenleving die gekenmerkt wordt door pluralisme, non-discriminatie, verdraagzaamheid, rechtvaardigheid, solidariteit en gelijkheid van vrouwen en mannen.

[2] https://aquariuspolitiek.wordpress.com/2016/06/29/schuivende-panelen-binnen-de-eu-na-brexit-fd-opwegnaarconfederatie-adriaanschout/

Advertisements