Tags

, ,

Een zonderling parlement

# Toch blijft het Europees Parlement worstelen met een gebrek aan legitimiteit. Er wringen zaken in de sfeer van de democratie. Zo is het Europees Parlement geen echt parlement, zoals we dat nationaal kennen. Medewetgever [overigens is in ons land de Staten-Generaal medewetgever naast de regering, jw] is iets anders dan wetgever. In de EU moet het parlement de wetgevende macht delen met de Raad van Ministers. Dat zijn de ministers van de lidstaten (bijvoorbeeld de gezamenlijke ministers van Financiën of Landbouw) die in vergaderingen bijeenkomen en samen besluiten nemen over maatregelen en beleid op Europees niveau. Die besluitvormers worden democratisch gecontroleerd in hun nationale parlementen, en dus niet in het Europees Parlement [dit mag een bizarre constructie worden genoemd, jw]. Sterker nog, die ministers nemen de meeste van hun Europese besluiten juist samen met het Europees Parlement [waardoor de controlerende macht, de ‘checks and balances’ geheel verdwijnt, jw]. Dat gebeurt meestal na uitgebreide afstemming in Brusselse wandelgangen en vergaderzalen [dat zal de snelheid van besluitvorming bevorderen, maar juist de controlerende functie verwaarlozen, jw]. Met democratische controle heeft dat niet bijster veel te maken.

Hier zien we op basis van mijn tussengevoegde opmerkingen een bizarre constructie ontstaan, op basis waarvan we ons kunnen afvragen hoe dit gekunstelde bouwwerk in vredesnaam ontstaan is en welke nationale constitutionele regeling gevolgd is, omdat bij de opbouw van het Europese Huis wel degelijk adviseurs betrokken zullen zijn geweest om er een hypermodern Europees Parlement zou ontstaan. Maar ik herinner mij uit de literatuur – die ik nu aan het herlezen ben – dat het nationale Europarlementariërs stapje voor stapje hun controlerende macht hebben moeten bevechten en veroveren, zodat er de facto helemaal geen ideale constructie op basis van parlementaire stelsels uit alle lidstaten – een term die in de aanvangsfase nog niet bestond! – werd geconstrueerd, maar deze ontwikkelingsgang heeft veel weg van de ontstaansgeschiedenis van alle nationale parlementen, die ook hun macht moesten veroveren op de monarchen, zoals ook in ons land (grondwetsherziening onder Thorbecke in 1848 – Europees revolutiejaar! -, waarbij de ministeriele verantwoordelijkheid werd geformuleerd). Dit is in EGKS/EEG-verband een absurde gang van zaken. Wie heeft deze constructie verzonnen?

# De ‘democratische controle’ die het Europees Parlement geacht wordt uit te oefenen op de Commissie is dubieus. Net zoals ten opzichte van de Raad van Ministers, is het Europees Parlement ook hier veel meer een partner van de Brusselse technocratie [‘partner in crime’, jw] dan een controleur ervan. Die laatste rol ligt uiteindelijk bij de nationale democratieën van de lidstaten.

En hiervan kwam logisch gesproken ook niets terecht, omdat de nationale parlementariërs die parttime optraden in het Europees Parlement, dat dubbele lidmaatschap niet effectief konden verwerken. Bovendien is zelfs Brussel een (te) ver van mijn bedshow voor een gemiddelde nationale parlementariër.

# Van het Europese Parlement wordt verwacht dat het zowel met de Raad als er de Commissie constructief meewerkt [kanttekening 1 hieronder, jw]. Dat is geen rol waar je gemakkelijk populair mee wordt, zeker niet buiten Brussel. Wat daarbij niet helpt is dat het Europees Parlement zich graag afficheert als onafhankelijk en democratisch [kanttekening 2, jw]. Een institutie die zich anders voordoet dan zij is, heeft een geloofwaardigheidsprobleem.

Kanttekening 1: Deze constructie is alleen te rechtvaardigen in de opbouwfase van het Europees Parlement en het functioneren van de Commissie, die wat naamgeving betreft in de loop der jaren constant is gebleven. Het Parlement moest worden uitgevonden in de Europese politieke sfeer, want alle nationale parlementariërs kenden verschillende werkwijzen en geen enkel nationaal parlement leek op de andere. Laat staan als je met het basis zestal te maken had, de ‘founding fathers’ van de Europese samenwerking: de Benelux, de Bondsrepubliek Duitsland, Frankrijk en Italië.

Kanttekening 2: Hier staat te lezen dat het EP dat zich graag afficheert als onafhankelijk en democratisch, en dat zou de geloofwaardigheid niet ten goede komen van dat parlement. De vraag die hier wordt opgeroepen is waarom het EP zich niet onafhankelijk als controleur mag opstellen? Dat het democratisch karakter slechts gelegitimeerd wordt door de gekozen parlementsleden – nationaal wel te verstaan maar niet Europees, want die verkiezingen zijn pas later ingesteld – is dan bijzaak, want de Commissie zelf heeft vanaf het begin geen legitimatie vanuit nationale verkiezingen en daarmee wordt een ‘technocratische regentenstructuur’ – onbewust? – gecreëerd. De Commissie is altijd genoemd door de nationale regeringen, waarbij de winnende hoofdstromen van dat moment de voordracht deden wie de voorzitter van de Commissie zou worden. Kortom, hier mag Seters nog eens een column in het FD over schrijven wat nou precies het dubbelzinnige karakter van het EP behelsde. De geciteerde zin is onduidelijk. Ik ben van mening dat het geloofwaardigheidsprobleem gemakkelijk kan worden verklaard door de noodzaak of opdracht een eigen bovennationaal parlement – waarvan geen precedenten bestaan – op poten te zetten en tot ontwikkeling te laten komen. ‘Een geworstel van jewelste’, mag men wel stellen en dat zal iedereen zich kunnen voorstellen.

(wordt vervolgd met ‘Europeanen en democratie’)

Advertisements