Tags

, ,

De school die er maar niet wil komen (Petra Vissers, Katern de Verdieping/Trouw, 2 juni)

Islamitisch onderwijs | Dat er maar geen islamitische middelbare scholen komen, ligt vooral aam een klein clubje bestuurders dat er een potje van maakte

‘Nederland heeft geen adequaat systeem om te voorkomen dat scholen worden opgericht waarvan je weet dat ze slecht gaan functioneren’

# Voorzitter Rasit Bal van het Contactorgaan Moslims en Overheid kan zich daarom heel goed voorstellen dat Dekker geen geld meer wil geven aan de mensen die eerder faalden. “Het is in het verleden gigantisch fout gegaan”, zegt hij. “Dat mag niet nog een keer gebeuren.”

Met deze ervaring uit het verleden is het te gek voor woorden dat er nu zo moeilijk wordt gedaan over de weigering van Dekker om geld voor naïeve plannen te reserveren. En het ministerie van Onderwijs had vanaf de eerdere mislukkingen van islamitische scholen direct aan een nieuw en houdbaar bekostigingssysteem moeten werken omdat het duidelijk was dat er in de toekomst weer nieuwe aanvragen zouden worden gedaan. Daar is dus niet op geanticipeerd. En dat is kwalijk.

# Bal was betrokken bij de oprichting van het Ica. Volgens hem hebben “een paar gekke idioten” na hem “verpest” het verpest voor alle andere stichtingen die nu graag een islamitische middelbare school willen starten. Hij had jet anders moeten aanpakken, zegt hij nu. Professioneler en misschien minder naïef. “Voorheen was er bij de rijksoverheid en bij gemeenten veel belangstelling voor islamitisch onderwijs. Ik ondervond een constructieve houding. Dat is omgeslagen sinds de sluiting van de scholen in Rotterdam en Amsterdam.”

Een aantal opmerkingen kunnen hierbij gemaakt worden. In de eerste plaats was het duidelijk dat de ‘nieuwe zuil’ van het islamitisch onderwijs per definitie een experiment betekende, want de vraag moest worden gesteld door beleidsmakers hoe je islamitisch onderwijs binnen de bestaande vrijheid van onderwijs van artikel 23 GW moest worden ingepast, aangezien deze islamitische medelanders als oprichters op voorhand onvoldoende inzicht hadden – lees: konden hebben – in de Nederlandse wetgeving en in het bijzonder de basisstructuur van onderwijswetgeving. Het net benoemde experiment kwam dus neer op een proeftuin-op-hoop-van-zegen. In de tweede plaats was de traditionele onderwijszuil al helemaal aan het vervallen en had alleen nog tot doel om de financiering van het gehele onderwijs in ons land te garanderen. Als er dan initiatiefaanvragen voor nieuwe islamitische scholen bij de overheid op tafel komen te liggen, dan moet daarvoor wel een ambtelijk apparaat worden opgetuigd die in staat was om nieuwe fenomenen en problemen te kunnen beantwoorden hoe deze extra zuil vorm te geven, en zeker om daarbij begeleiding te kunnen bieden in kennis en inzicht in ons staatsrecht, want is islamitisch onderwijs op voorhand in te bouwen in de traditionele onderwijsverhoudingen? De islamitische wetgeving in eigen wereldwijde regio’s – Midden-Oosten, Noord-Afrika en Azië –  zijn immers een geheel andere dan de Europese. Deze ambtelijke en bestuurlijke problemen zijn vermoedelijk nooit in kaart gebracht, laat staan geëvalueerd en besproken in Kamerdebatten. Het kernprobleem is het volgende. Islamitisch onderwijs valt op geen enkele manier te vergelijken met christelijk onderwijs, dat opgesplitst kan worden in katholiek, protestants, en calvinistisch, waarbij ook christelijk-orthodox aan kan worden toegevoegd. Deze traditionele christelijke denominaties zijn zeer wetsgetrouw en dus zijn er nooit problemen geweest met het gezag. Dat is, zoals inmiddels gebleken is, geheel anders met het bijna cultuur-vijandige islam in relatie tot het christendom en het Westen. Dit is een cruciaal verschil tussen de christelijke hoofdzuil en de islamitische subzuil. Dat dit spanning zou gaan opleveren was twintig jaar geleden nog niet erg zichtbaar of te voorspellen, maar sinds de verschijning van sociale media is het gehele maatschappelijke proces in een stroomversnelling gekomen en zo ook het onderwijsbestel. Bestuurlijk is dit ook nog niet uitgewerkt.

Met deze structurele basisfeiten (het traditionele zuilenstelsel dat feitelijk niet meer bestaat of relevant is, en de nieuwe onderwijs- en maatschappelijke zuil van de islam) maakt dat een nieuw bekostigingsstelsel zou moeten worden georganiseerd en ingevoerd. Het onderwijs zoals dit door de overheid gefinancierde stelsel, zoals het nu functioneert, is in beginsel adequaat, maar de vraag is of dat nog op termijn ook zo zal blijven, aangezien de EU-richtlijnen overheidsuitgaven tot een minimum beperken. Dat betekent een overbelasting voor de dienstverlenende publieke sectoren als onderwijs, zorg, defensie, de overheid zelf (politiek en bestuur), en veiligheid/politie/justitie. Al deze sectoren hebben in de afgelopen crisisjaren zwaar moeten inleveren en zijn daarmee in een stevige min terecht gekomen. Dat zal hersteld moeten worden om weer een evenwichtige maatschappelijke ontwikkeling mogelijk te maken. Dat evenwicht is nu afwezig (of verbrokkeld zo men wil).

Advertisements