Tags

,

Verantwoordingsdebat 2015 [26-5-16]

De heer Dijkgraaf (SGP):

Mevrouw de voorzitter. We hadden zojuist lunchpauze en ik heb die mogen combineren met een interview door twee studenten van het Hoornbeeck College. Dat is zeven keer op rij gekozen tot het beste roc van Nederland, zeg ik maar even. Het Hoornbeeck College, vergeet dat niet, minister-president. Die twee studenten zitten al de hele ochtend en middag op de publiek tribune. Volgens mij zitten ze daar nu. Of nee, toch niet.

Een prachtig begin van Dijkgraaf’s  inbreng in de eerste termijn van de Kamer: buitenstaanders betrekken in een debat waarin de regering wordt geëvalueerd, ook al ging het hier om scholieren. Maar het publiek dient veel vaker betrokken te worden in dit soort debatten, al is het maar publiek dat de Kamerleden bellen of e-mailen om hun vragen of klachten daar neer te leggen. Alleen de SP doet dat regelmatig, maar dan ook voorzien van een belerend toontje waardoor de indruk gewekt wordt dat de regering vanzelfsprekend het verkeerde beleid voert. Dan is er sprake van vooringenomenheid want het objectiviteit of liever: een intersubjectieve houding hoort de basishouding van een parlementariër te zijn.

De voorzitter:

Ze zijn weg.

De heer Dijkgraaf (SGP):

Dan zijn ze nu de stad in.

De voorzitter:

Ze hebben groot gelijk.

De heer Dijkgraaf (SGP):

# Ze hebben in ieder geval tot aan de schorsing netjes gedaan wat ze moesten doen, namelijk een debat volgen en mij interviewen. Zij zeiden tegen mij: het is opvallend dat jullie een heel aantal dingen gemeenschappelijk hebben en dat is wel mooi. Volgens mij — dat was niet hun interpretatie — zijn dat vier dingen. Als ik het debat tot nu beluister, danken wij allemaal de Rekenkamer. De Rekenkamer heeft goed werk geleverd: chapeau. Ik dank daarvoor de mevrouw die hier zit en de heer Visser met de zijnen.

Dit is een nieuw geluid omdat de Rekenkamer veelal door de regering wordt genegeerd, en dat is vanzelfsprekend volkomen ten onrechte.

# Ten tweede beluister en vind ik zelf ook dat een heel aantal dingen goed gaat. Gelukkig groeit de economie weer. We hebben ook geen spijt van de gedoogsteun die wij af en toe geleverd hebben via de akkoorden met D66 en de ChristenUnie. Ook daarin hebben we weer gezamenlijk onze verantwoordelijkheid genomen in moeilijke tijden. Het tekort daalt en zal vanaf 2019 zelfs overslaan in een overschot als het niet door nieuw beleid of externe omstandigheden verstierd wordt. Afgelopen jaar is de staatsschuld zelfs ondanks een tekort gedaald. In deze tijden is dat voorwaar een prestatie. Ik wil het kabinet danken voor wat het daarvoor heeft gedaan. Het heeft ook wel iets te maken met het buitenland en met de aantrekkende wereldhandel, maar het is ook afhankelijk van beleid.

Een heerlijk neutraal geluid voor een oppositiepartij, al wordt de SGP beschouwd als de constructieve oppositie. De vraag is alleen wat de zinsnede ‘is de staatsschuld zelfs ondanks een tekort gedaald’. Wordt met ‘tekort’ het begrotingstekort bedoeld? Maar met een stevig tekortreductie wordt een vermindering van de staatsschuld toch best goed mogelijk?

# Een derde punt is dat er zorgen zijn. Iedereen heeft zo zijn eigen dingen, maar er zijn volgens mij twee overkoepelende zorgen. De eerste zorg is dat de lasten te hoog zijn. Generiek bezien hebben we de tekorten teruggebracht door onder andere de lasten te verhogen met 12 miljard ten opzichte van de precrisistijd. Wat mij betreft zou dat op een gegeven moment teruggedraaid moeten worden, ook voor specifieke groepen, bijvoorbeeld voor ouderen; ik hoor gelukkig ook anderen eenverdieners noemen. Het tweede zorgpunt is de hoge werkloosheid, want dat zo veel mensen in dit land aan de kant staan, is en blijft natuurlijk zorgelijk als wij daar niet wat aan gaan doen. Je kunt die twee wel met elkaar verbinden, want als je de lasten verlaagt, maak je arbeid ook weer aantrekkelijker. Ik denk dat daar een van de aangrijpingspunten zit. Daarover gaan we volgens mij verder debatteren bij de Voorjaarsnota en vooral ook bij de behandeling van de begroting. Mijn indruk is dat we bij het Verantwoordingsdebat vooral terugkijken en lering trekken en dan vooruitkijken.

# Het vierde gemeenschappelijke punt is dat iedereen het tot nu toe heeft gehad over Veiligheid en Justitie, Defensie en belastingen. Daar zitten ook mijn zorgen. Ik sluit me aan bij de detailvragen van de collega’s. Dit gaat wel over kerntaken. Deze minister-president is zes jaar, met Rutte I en Rutte II, aan de macht. Ik wil die twee niet direct aan elkaar koppelen, maar ik heb er wel een vraag over. Zeker de VVD, maar eigenlijk iedereen ziet de volgende zaken als kerntaak: de beveiliging van het land en het ingrijpen in andere landen op het moment dat het daar uit de hand loopt, politie en justitie, maar ook gewoon geld ophalen bij de mensen. Wat mij betreft is dat zo weinig mogelijk, maar als je het met elkaar afgesproken hebt, moet je het ook doen. Op die kerntaken moet het eigenlijk niet misgaan, maar het gaat daar wel mis. Ik haal daarover een treffende uitspraak aan van Arno Visser, de president van de Algemene Rekenkamer: de politiek is te veel gericht op het maken van plannen en te weinig op het realiseren ervan. Zit daar niet de kern van het probleem? Op alle drie de departementen is al meer dan twee jaar bekend dat er grote problemen zijn. Ik heb drie vragen aan het kabinet.

# De eerste vraag is: doet de minister-president genoeg? Heeft hij voldoende de regie genomen? Het stelt mij niet gerust dat hij nu heel verbaasd naar mij kijkt, want het zijn kerntaken. En natuurlijk, de minister-president kan straks zeggen: de twee ministers en de staatssecretaris die hierop zitten, hebben de verantwoordelijkheid; ga met hen de debatten aan. Dat doen we ook al. We hebben afgelopen dinsdagavond nog met minister Hennis gesproken over Defensie versus de NAVO-norm. Maar als het zulke kerntaken betreft, moet de minister-president dan ook niet de regie nemen? Hem kennende, zal hij dat ook gepoogd hebben. De grote vraag is: is dat genoeg geweest? We spreken hier nu immers niet voor het eerst over. Dit is al jaren aan de gang. Al jaren moeten we met elkaar constateren dat hier grote gaten vallen. Wat heeft de minister-president dan gedaan? En zou hij niet meer moeten doen?

# De tweede vraag is: doen de bewindslieden genoeg? Wat is het oordeel van de minister-president daarover?

# En de derde vraag is: levert de minister van Financiën voldoende budget? Bewindslieden kunnen zich het vuur uit de sloffen lopen, maar wij zeggen, zoals bij Defensie, nog steeds dat we missies moeten doen, taken moeten uitvoeren en moeten zorgen voor veiligheid. Als er dan een cultuur bij Defensie is van “wat de politiek vraagt, leveren wij”, maar wij via de minister van Financiën, die nu eenmaal verantwoordelijk is, onvoldoende budget leveren om dat te realiseren, leveren we hun dan niet een taak die eigenlijk onmogelijk uit te voeren valt? Ik vraag de minister-president dus om terug te kijken op dat rapport van de Algemene Rekenkamer. Daarin wordt opnieuw — dat is al verschillende jaren zo — gesteld dat er een mismatch is tussen wat wij van de ministeries vragen aan inhoudelijke taken en het budget dat erbij hoort. Dat geldt voor Defensie, voor Veiligheid en Justitie, voor de politie, voor de inlichtingendiensten en voor diverse andere onderdelen. Het geldt eigenlijk door de hele keten heen. Moet er dan niet voor gezorgd worden dat er meer ruimte is?

Hierbij een kritische noot aan Dijkgraaf vanuit zijn oorspronkelijke vakgebied: empirische economie van de publieke sector als bijzonder hoogleraar aan de Erasmus Universiteit. Vanwege zijn aandacht voor de kerntaken van de overheid zou je van hem vooral de relatie tussen de rijksbegroting en de Brusselse begrotingstekortnormen hebben verwacht, maar dan thema snijdt hij in het geheel niet aan. Waar de prioriteit in de afgelopen jaren lag op het beheersbaar houden van de 3%-begrotingstekortnorm, hetgeen gelukt is, dient nu zeker door deze parlementariër de principiële vraag te worden gesteld wat we doen met onze ‘overdrachtsinkomens’, ofwel de inkomens die worden verdiend in een tertiaire en quartaire sectoren, dus de (semi)publieke sectoren (overheid, zorg, onderwijs en defensie). Met een natuurlijke groei van een postindustriële samenleving als de onze (waarin de ruime meerderheid van de beroepsbevolking in de genoemde tertiaire en quartaire sectoren – diensteneconomie of –maatschappij -), dient een nieuw debat te ontstaan of te worden aangeslingerd hoe deze noodzakelijke en natuurlijke economische ontwikkeling evenwichtig kan worden georganiseerd. Het enige antwoord is een sterker progressief belastingstelsel, omdat de hogere en hoogste inkomens hier zwaarder belast dienen te worden: zij zijn de enige die de extra publieke ruimte kunnen ophoesten. Zolang de politiek die belastingverhoging niet aandurft, heeft niemand meer recht van spreken en is de politiek zelf de grote lafaard. Bang voor stemmenverlies en dus visieloosheid.

# Wij moeten straks decharge verlenen voor deze jaarverslagen; daar wordt althans om gevraagd door het kabinet. Ik vind dat een lastig punt. Ik ben daar ook nog niet over uit, maar gelukkig is dit nog maar het begin van het debat. De minister-president zal zeggen dat het om complexe problemen gaat die over een lange tijd zijn ontstaan en die je dus ook niet van de ene dag op de andere kunt oplossen. Ik ben het daar op zich mee eens, maar kun je je het veroorloven om die jaar op jaar te laten bestaan? Dat kan volgens mij alleen als je er zicht op hebt dat je die problemen ook daadwerkelijk binnen afzienbare tijd kunt oplossen, maar dat zie ik niet gebeuren. Ik wil van de minister-president graag de belofte dat hij deze drie grote problemen gaat oplossen voordat hij demissionair wordt en dat we een nieuw kabinet niet aan het begin alweer gaan opzadelen met een gigantisch probleem, omdat er bij drie kerntaken van de overheid sprake is van grote tekorten. Ik wil dat dit kabinet tegen het volgende kabinet kan zeggen: wij hebben de grote problemen opgelost, zodat jullie kunnen werken aan de andere uitdagingen. Dat is mijn kernvraag aan de minister-president.

Ondanks deze terecht kritische punten aan de minister-president heb ik een aantal kanttekeningen neergelegd bij deze parlementariër die het meest frisse geluid afgeeft van alle oppositiepartijen. Zijn bijdrage – in tegenstelling tot de meeste oppositiepartijen in de Kamer – is kort en bondig en  daarmee een verademing in het huidige parlementaire debatten. Vandaar dat hij van mij de prijs verdient van de ware volksvertegenwoordiger. Bravo Elbert Dijkgraaf! Vanuit objectieve argumenten – als principieel partijloos burger – aangedragen!