Tags

, ,

… maar een racist mag ik toch zo noemen? (Lennart Feijen, Katern Opinie & Debat/NRCHandelsblad, 21 mei)

http://www.nrc.nl/next/2016/05/21/maar-een-racist-mag-ik-toch-zo-noemen-2404682

Lennart Feijen noemde Hilbrand Nawijn een racist en werd veroordeeld. Maar benoemen is iets anders dan beledigen, vindt hij.

# Er is enige ophef ontstaan over mijn veroordeling in hoger beroep voor belediging van Hilbrand Nawijn, op 2 mei. Ik heb Nawijn een racist genoemd omdat hij verkondigde dat de vrijheid van onderwijs niet voor moslims geldt.

Hier doet zich het eerste probleem voor in het standpunt van SP vice-fractievoorzitter te Zoetermeer Lennart Feijen: in plaats van zijn collega raadslid Nawijn op de onderwijswet te wijzen, die aan alle onderwijsinstellingen dezelfde eisen stelt en waarbij dus geen discriminatie kan bestaan, neemt hij de opvatting van Nawijn dat de vrijheid van onderwijs niet voor moslims zou gelden, te letterlijk. Vanuit deze verkeerde lezing ontstaat vanzelfsprekend ook een verkeerde interpretatie van wat Nawijn bedoeld zou hebben. En vanzelfsprekend wordt de ‘juiste’ interpretatiewijze ook niet door Feijen besproken, omdat hij helemaal geen oog had op de onderwijswet.

# In het tv-programma Pauw verschuilde Nawijn zich achter wetboek en woordenboek, om de discussie hierover maar niet aan te hoeven gaan. De grens van wat je wel en niet kan zeggen, ligt volgens hem bij de strafwet. Terwijl zijn uitspraken strijdig zijn met artikel 1 en artikel 23 van de grondwet. Uitlatingen doen die in strijd zijn met de grondwet is voor hem blijkbaar geen probleem.

# Waar bij Böhmermann en Umar veel mensen (terecht) op hun achterste benen stonden, is deze discussie toch vooral een semantische discussie over of je het discrimineren van moslims wel racisme mag noemen, aangezien de islam een religie is en moslims geen ras zijn. Het gaat hier echter niet alleen om de islam als religie. De discussie wordt namelijk gekoppeld aan integratie, aan waar moslims vandaan komen, en dat zij zich vooral moeten aanpassen aan onze joods-christelijk-humanistische cultuur. Wat dat precies inhoudt is mij nooit echt duidelijk geworden, maar als je onze geschiedenis bekijkt dan kan je het joodse, christelijke en humanistische onmogelijk op een hoop gooien als een ondeelbare en dominante cultuur.

Hier doet zich het contrast of verschil voor van iemand van de jonge generatie (Feijen) tegenover een Nawijn, die tot de middelbare generatie gerekend kan worden. Indien kortom Feijen wat ouder was geweest had hij vanuit zijn schoolperiode geweten hebben dat 1. Het niet aangaat om het ‘Joodse, christelijke en humanistische onmogelijk op een hoop (te) gooien als een ondeelbare en dominante cultuur’, want zo geformuleerd is het een onmogelijke opdracht; waar het wel om gaat is dat er een grootste gemene veelvoud bestaat van wat onder die ‘pluriforme’ cultuur dient te worden verstaan, namelijk een gemeenschappelijke maatschappelijke cultuur die door de meerderheid van de bevolking gedragen wordt. Dat leert ook de eerstejaars student sociologie via het standaardwerk Moderne sociologie van de grootheden C. Lammers en (J.A.A. van) Doorn). Het is de dominante cultuur, zonder ondeelbaar te zijn, want ook een cultuur is onderhevig aan verandering. Maar alles wat geformuleerd wordt in de grondwet en in de afzonderlijke wetboeken, is een afspiegeling van die grondwet en daarmee ook een afspiegeling van de Nederlandse cultuur. En om die reden mag van moslims verwacht worden dat zij zich aan onze cultuur aanpassen, want indien ze daartoe niet in staat zijn, doen ze er verstandig aan terug te keren naar het land van oorsprong en/of geboorte. Op grond van deze samenvatting van verwachtingen ten opzichte van de nieuwe Nederlanders kan worden vastgesteld dat de laatste alinea van Feijen ook ondeugdelijk is, te verklaren vanuit zijn leeftijd:

# Naast religie gaat het dus ook om cultuur en de herkomst/afkomst van moslims, van wie er ook veel in Nederland geboren en getogen zijn. Het ontzeggen van bepaalde grondrechten (zoals de vrijheid van onderwijs) aan deze groep mensen maakt dat je niet alleen van discriminatie kan spreken maar ook van racisme [sic! onjuist zoals ik hierboven heb betoogd]. Maar dat benoemen of zelfs maar bespreekbaar maken is tegenwoordig taboe in de rechtse kerk. Het is de nieuwe politieke correctheid.

Er is geen sprake van een taboe in de rechtse kerk op dit punt tenminste.

# Discriminatie en racisme zijn een toenemend probleem in onze samenleving. De discussie hierover moet vaker worden gevoerd, vooral met mensen die discriminatie en racisme ondervinden.

Een verkeerd opgebouwd betoog leidt dus automatisch tot verkeerde conclusies!

# Om te beseffen hoe groot dit probleem is en wat dit met mensen doet, is het belangrijk om naar hun verhaal te luisteren, om daar bewust van te worden en om er samen iets aan te doen.

Dit ‘grote probleem’ is door het raadslid Feijen zelf geschapen en het wordt dus tijd dat het staatsrecht en de grondwet door de jongere generaties wat beter bestudeerd gaan worden. Volksvertegenwoordigers worden immers ‘in het bijzonder’ geacht om de ‘wet te kennen’. De praktijk is echter weerbarstig, zoals deze rechtszaak bewezen heeft.

Samenvattend kan op grond van deze beschouwing van de auteur geconcludeerd worden dat islamitisch onderwijs niet kan neerkomen op het ontstaan van Koranscholen omdat dit type scholen strijdig zijn aan onze onderwijswetgeving, zo zal dat voor iedereen duidelijk zijn. Ook het gescheiden zwemmen en eventueel bestaan van gescheiden klassen tussen meisjes en jongens, ongeoorloofd zijn, maar de belangrijkste conclusie is dat er onderscheid bestaat tussen discriminatie en racisme als het gaat om onderwijsaangelegenheden. En een ervaren SP-raadslid zou de fout van Feijen ook niet gemaakt hebben, aangezien zijn jeugdigheid en gebrekkige hem hebben opgebroken.

Advertisements