Tags

, ,

In Den Haag: Vol van (Aukje van Roessel, De Groene Amsterdammer, 12.5.2016)

Je bent uit Turkse ouders geboren in Nederland. Je werd accountant. Door de huidige discussie moet je nu ineens kiezen tussen de twee landen.

Het is natuurlijk geen toeval dat ik in mijn vorige blog heb moeten constateren dat van Nederturken, zowel parlementariërs als gewone burgers, niet verwacht kan worden dat ze zich aan beide grondwetten dienen te houden, de Nederlandse en de Turkse. Er zullen namelijk ongetwijfeld verschillen of zelfs tegenstellingen tussen beide voorkomen die gehoorzaamheid aan beide dus uitsluiten. Iedere grondwet is namelijk anders en verschillend, vanwege het cultuurbepaalde karakter van deze hoogste (oer)wet in ieder land.

Maar na lezing van deze tekst Van Roessel kwam ik erachter dat ik zelf een verkeerde indruk had van ons Wetboek van Strafrecht, waarin het verbod van belediging van het staatshoofd nog steeds blijkt voor te komen, terwijl ik mij het Kamerdebat uit 2013 herinnerde, maar dat ging om het verbod op smalende godslastering, dat bij die gelegenheid ook geschrapt is. Maar het verbod op majesteitschennis staat, of liever, blijkt nog in volle glorie in dat wetboek te staan: ‘Opzettelijke belediging van de Koning wordt gestraft met de gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren of een geldboete van de vierde categorie.’

Je kunt je wel afvragen wat hier onder ‘opzettelijke’ wordt bedoeld, aangezien een dergelijke uitroep of belediging altijd een (min of meer politieke of onderbewuste bij verwarde persoonlijkheden) uiting is en nooit persoonlijk bedoeld, laat staan ‘opzettelijk’. Maar nu deze strafbepaling in de actuele kwestie van Ebru speelt, wordt het ook duidelijk dat ons land niet duldt dat Ebru alsnog in Turkije bericht zal gaan worden, en zal de regering dus niet aan een uitleveringsverzoek van Turkije mogen voldoen, want anders hebben we hier de poppen aan het dansen.

Maar we zullen bij die gelegenheid wel consequent moeten zijn: waar we een dergelijke belediging van het Turkse staatshoofd niet zullen slikken, daar zal onze beide Kamers ook moeten besluiten dat onze eigen strafbepaling uit het wetboek wordt geschrapt.

Tot slot zij opgemerkt dat het in het artikel van Van Roessel ging om de door haar gestelde vragen aan een bevriende Nederturkse student, en zijn opvattingen over heikele kwesties, waaronder het mogelijke lidmaatschap van Turkije van de EU, waarop het verrassende antwoord ‘neen’ volgt. ‘Volgens hem zijn de normen en waarden in Turkije anders. Dat gaat niet samen.’ Wijze woorden. Wanneer zijn de politici zover?

Advertisements