Tags

,

Het verschil tussen ééndimensionale en meerdimensionale politici in de 2eKamer (3)

Analyse van het debat ‘Uitslag raadgevend referendum associatieverdrag met Oekraïne’ op 13 april ‘16

De voorzitter:

Ik heet de minister-president en de mensen op de publieke tribune van harte welkom. Ik geef het woord aan de heer Wilders.

De heer Wilders (PVV):

Voorzitter, als u het mij toestaat, maak ik graag een punt van orde zodat alle partijen gelijk met het debat kunnen aanvangen. Er springt net een bericht op de website van een krant, De Telegraaf, waarin staat dat de oppositie in de Tweede Kamer zwaar onder druk zou zijn gezet door een kabinet in paniek, omdat de Nederlandse bevolking nee heeft gezegd en dat zowel premier Rutte als minister Koenders persoonlijk fractieleiders heeft gebeld. De fractieleiders zeggen daar helemaal gek van te worden. De minister-president kan het wel weer weglachen, zoals hij ook de uitslag van het referendum weglacht. Mijnheer de minister-president, u maakt van alles een grap, maar dit is een serieuze vraag. De minister-president heeft dus met mensen gebeld. Voordat wij met dit debat beginnen, wil ik weten wie hij heeft gebeld en wat er is besproken.

Deze openingszinnen, hoe karakteristiek voor Wilders, zetten direct de aanval op de premier in, zonder ook maar te vragen naar de juistheid van deze berichten in krant van wakker Nederland. Er wordt vaker uit kranten en andere media zoals de tv geciteerd, maar het is een bedenkelijk verschijnsel dat alles wat in kranten staat, direct voor waarheid wordt aangenomen. Deze ‘directe rechtse’ is karakteristiek voor een ééndimensionale politieke aanpak.

De heer Van Bommel (SP):

Mevrouw de voorzitter. Mij is hetzelfde geworden. Ik heb van collega´s vernomen dat zij wel zijn gebeld. Ik zou graag van de minister-president willen weten waarom mijn fractie niet is gebeld.

Van hetzelfde laken een pak. Ook 1-dimensionaal.

De voorzitter:

Mevrouw Thieme, bent u gebeld?

Mevrouw Thieme (PvdD):

Ah, ik ben ook niet gebeld.

De  voorzitter laat op gepaste wijze haar gevoel voor humor zien en neutraliseert daarmee direct via deze kwinkslag het agressieve klimaat dat dreigt te ontstaan.

De voorzitter:

Ik kijk even naar de minister-president. Kan hij hier misschien een korte reactie op geven, zodat wij daarna over kunnen gaan tot het houden van een debat? Minister-president, wie hebt u gebeld?

Minister Rutte:

Voorzitter. Daar doe ik geen mededeling over, maar het is heel gebruikelijk dat er voor debatten gesondeerd wordt. Daar geef ik nooit inzage in. Ik heb ook regelmatig de heer Wilders aan de lijn. Hij is heel blij dat ik dat hier nooit meld.

Ook de premier reageert op gepaste wijze omdat dit soort handelingen geen relevante betekenis hebben en het oormerk van de beide oppositiepartijen is om de minister-president uit te testen of hij in deze situatie zich beheerst kan opstellen. Typerende politieke spelletjes van beide kanten dus.

De voorzitter:

Dan gaan we beginnen met het debat. De spreektijd is vier minuten per fractie. Ik geef allereerst het woord aan de heer Van Bommel namens de SP-fractie.

De heer Van Bommel (SP):

Voorzitter. Op 6 april 2016 was er sprake van een historische dag. Die dag werd de Nederlandse kiezer voor het eerst op basis van de Wet raadgevend referendum om raad gevraagd. Hier past een woord van dank aan de initiatiefnemers voor dat referendum en aan alle mensen die hun verzoeken hebben gesteund. De vraag die voorlag, was: bent u voor of tegen een associatieakkoord tussen de Europese Unie en Oekraïne? Nederland zei op 6 april op overtuigende wijze nee op die vraag. De SP is van mening dat dit nee onverkort moet worden overgenomen. Nee is nee. Wat mij betreft kan dit daarom een kort debat worden.

Deze eerste oppositionele spreker acht het vanzelfsprekend terecht om direct zijn oordeel uit te spreken en wel in forse bewoordingen: ‘op overtuigende wijze’. Hij had voorzichtiger kunnen beginnen te constateren dat er weliswaar twee keer zoveel nee-stemmers zijn komen opdagen dan ja-stemmers, maar dat, zoals terecht door Aukje van Roessel in De Groene van deze week wordt opgemerkt, geen woord over de ja-stemmers en geen woord over de thuisblijvers:

“Een meerderheid van degenen die vorige week zijn gaan stemmen is tegen het verdrag. Maar het blijft ook een werkelijkheid dat tachtig procent van de Nederlandse kiesgerechtigden niet tegen het associatieverdrag heeft gestemd door thuis te blijven of door voor het verdrag te stemmen.”

Waarmee maar gezegd wil zijn dat andere referenda vraagstellingen niet automatisch met een soortgelijke uitlag zullen opleveren. Het zegt allemaal nog niets over de toekomstige referenda en die relativering kunnen beide sprekers niet opbrengen: 1D.

Conform de Wet raadgevend referendum heeft het kabinet slechts twee opties: ofwel de goedkeuringswet van het associatieverdrag met Oekraïne wordt zo spoedig mogelijk ingetrokken ofwel het kabinet legt de uitspraak van de Nederlandse bevolking naast zich neer. Is de regering het met deze lezing van de Wet raadgevend referendum eens?

Hier wordt het kabinet direct gedwongen hom of kuit te geven zonder eerst een analyse van verklarende factoren te hebben opgemaakt en dat betekent kortzichtigheid van de huidige oppositie. Broddelwerk kan ook het oordeel zijn. Deze directe aanval kan immers niets meer opleveren.

Ik wil een aantal feitelijke constateringen doen. De Kiesraad heeft officieel vastgesteld dat het opkomstpercentage 32,28 was. Dat is dus boven de kiesdrempel van 30%, waardoor het een geldig referendum is. Van de uitgebrachte geldige stemmen was 61% tegen het verdrag, 38,21% voor het verdrag en 0,79% blanco. Kortom, een overduidelijke meerderheid van de kiesgerechtigde burgers die hun stem uitbrachten, heeft tegen het verdrag gestemd.

De tweede constatering betreft artikel 11 van de Wet raadgevend referendum. Dat artikel luidt: “Indien onherroepelijk is vastgesteld dat een referendum heeft geleid tot een raadgevende uitspraak tot afwijzing, wordt zo spoedig mogelijk een voorstel van wet ingediend dat uitsluitend strekt tot intrekking van de wet of tot regeling van de inwerkingtreding van de wet.”

Voor de derde constatering verwijs ik naar artikel 486, lid 1 en 2 van het associatieverdrag. Die artikelen luiden als volgt: “Deze overeenkomst wordt door de partijen volgens hun eigen procedures geratificeerd of goedgekeurd. De akten van bekrachtiging of goedkeuring worden neergelegd bij het secretariaat-generaal van de Raad van de Europese Unie. Deze overeenkomst treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand volgende op de datum waarop de laatste akte van ratificatie of van goedkeuring is neergelegd.”

Deze feiten en juridische bepalingen leiden tot een simpele optelsom. Het associatieverdrag met Oekraïne kan niet in werking treden als de ratificatie niet is voltooid. De ratificatie kan niet worden afgerond als de laatste akte van goedkeuring niet is gedeponeerd. Het referendum heeft onherroepelijk geresulteerd in een raadgevende uitspraak tot afwijzing.

Wat de SP betreft betekent dit dat het kabinet de goedkeuringswet moet intrekken. De minister-president heeft gezegd dat het verdrag als gevolg van de overweldigende nee-stem niet zonder meer in werking kan treden. Mijn vraag aan de premier is: is de regering bereid om de wet die het associatieakkoord goedkeurt zo spoedig mogelijk in te trekken? Als de regering dat namelijk niet doet, moeten we constateren dat de regering niet alleen de wens van de kiezer, maar ook de bepalingen van de Wet raadgevend referendum niet respecteert.

Dit is bijna een belediging aan het adres van het kabinet en in het bijzonder aan de premier. Een debat op deze wijze aanvangen getuigt van een gebrek aan respect ten opzichte van de mores van de Kamer. Oudere toehoorders die het debat hebben gevolgd zullen hiervan onpasselijk worden vanwege het gebrek aan staatsrechtelijke kennis en een voorbeeld zien de verharding van maatschappelijke gewoonten en omgangsvormen.

Het kabinet schrijft in reactie op de uitslag van het referendum dat bepaalde elementen in het debat de boventoon voerden, waaronder de zorg dat Oekraïne lid wordt van de Europese Unie en de zorg dat de gevolgen van militaire samenwerking met Oekraïne. Deze zorgen zijn terecht. Ik kan het kabinet graag andermaal uitleggen waarom, maar feit is dat de inhoudelijke discussie over dit verdrag reeds is gevoerd in beide Kamers, toen de goedkeuringswet hier en daar aan de orde was. De inhoudelijke discussie hoeven we dus niet opnieuw te doen. Deelt de regering deze mening?

Ook geeft de regering aan in gesprek te willen treden met EU-partners en Oekraïne. Dat is haar goed recht, maar dat alles doet niets af aan het feit dat ratificatie als zodanig niet door kan gaan en dat het kabinet dus maar een optie heeft: zo spoedig mogelijk een intrekkingswet aan de Kamer voorleggen. Ik ga ervan uit dat de minister-president daar vanavond de bereidheid toe uitspreekt.

De conclusies worden dus een en ander maal voorafgaande aan het debat neergelegd alsof er geen andere duiding mogelijk is. Onparlementair gedrag dus, die alleen door fanatieke volgelingen van de spreker worden gevolgd. Het gewone electoraat is inmiddels gewend aan sensatiepers & televisie en dito sensatie-politiek en heeft zich daarbij neergelegd. Het overkomt je immers als burger.

De volgende blog start met de volgende spreker, de heer Verhoeven (D66).

Advertisements