Tags

,

Het verschil tussen ééndimensionale en meerdimensionale politici in de @2eKamer (2)

Vervolg van deel 1:

De meeste stemmen winnen, dat is een oud en goed democratisch principe

# Elke drempel zal in de praktijk de voorstanders voor een dilemma plaatsen en strategisch gedrag uitlokken. Er is maar een manier om dat te vermijden: geen enkele drempel. De meeste stemmen winnen, is tenslotte een oud en goed democratisch principe.

In deel 1 werd aangegeven dat er een alternatief denkbaar is. Er werd daarin aangegeven dat dit probleem van dilemma’s en strategisch wordt opgeheven of opgelost als deelnemers aan het referendum zich kunnen (of zelfs dienen) intekenen of aanmelden, want dan is de komst naar het stemhokje (nagenoeg als er geen ‘afzeggers’ of eventuele twijfelaars zijn) gegarandeerd en heeft geen enkel strategisch stemgedrag zin. Data van een dergelijk referendum liggen vast en alle huidige twijfels en ‘interpretatieconflicten’ vallen weg; het aantal ingeschrevenen staat immers vast. Er resteert dan een ander aspect dat overdenking vraagt. En dat is het karakter van het referendum. Een bindend correctief kan immers, anders dan een raadgevend referendum, direct leiden tot wijziging of vernietiging van het wetsvoorstel.

Over het karakter van een volksraadpleging het volgende. Een ‘neen’, zoals bij het associatieverdrag-Oekraïne zegt helemaal niet dat het wetsvoorstel direct in de prullenbak verdwijnt, want daartoe bestaat helemaal geen (juridische) basis, maar dat het wetsvoorstel in heroverweging dient te worden genomen. Omdat onduidelijk is waarop dat ‘neen’ is gebaseerd – daarover bestaat immers geen informatie – is de mogelijkheid aanwezig dat de volksvertegenwoordiging wordt geconfronteerd met de tegenstelling (in omvang van het aantal uitgebrachte) tussen het aantal ‘neen’- en ‘ja’-stemmen, om daarover te reflexteren. Dan wordt duidelijk dat de ‘ja’-stemmers in de verdediging worden gedrongen door de ‘neen’-stemmen in het parlementaire debat. Als, zoals met het afgelopen referendum, er een maximaal krappe coalitiemeerderheid bestaat van 1 stem, dan wordt de coalitie op voorhand gedwongen om concessies te doen. Dat ontstaat er in beginsel een nieuw parlementair bezinningsdebat over de uitslag, waarin de partijen ‘voor en tegen’ zeker tot elkaar moeten komen. Dat nieuwe debat leidt noodzakelijk (omdat er een nieuwe meerderheid moet ontstaan) tot een nieuwe consensus en dat wordt wederom voorgelegd aan een nieuw referendum. En dat maakt het grote verschil uit met het Grondwetsreferendum van 2015. De eerste afwijzing werd niet gevolg door een herstemming.

Volgt er weer een afwijzing, dan wordt het wetsvoorstel definitief teruggetrokken, maar het gaat om een cruciale wetgeving, dan kan het kabinet besluiten tot aftreden en worden er nieuwe verkiezingen uitgeschreven. Pas in tweede instantie heeft de burger of het geraadpleegde electoraat dus het laatste woord, en niet zoals in het debat van gisteren werd gesuggereerd, al in eerste instantie na het Kamerdebat. Al die parlementariërs die dit wel suggereerden of zelf eisten, hebben geen benul van ons staatsrecht. En dat is tekenend voor het niveau van dit parlement.

Dat ‘laatste woord’ is in de huidige situatie immers volstrekt onmogelijk, omdat een referendum de officiële volksvertegenwoordiging (vooral dan het nationale niveau van de Staten-Generaal) en haar besluitvorming niet kan vervangen immers daartoe democratisch verkozen. Maar dat kan in de toekomst gaan veranderen gezien de bestaande mate van ontevredenheid over het functioneren van beide Kamers, die momenteel dusdanig groot en ook fundamenteel is, dat de verwachting van de komst (‘hervorming’) van een nieuw kiesstelsel alleszins denkbaar en gerechtvaardigd is ter vervanging van het huidige bestel. Maar ook principieel niet, omdat dit het eerste referendum is onder een officiële (en goednieuwe) referendumwet (welke nieuwe wet kampt niet met allerlei kinderziekten?), en dus als experimenteel mag – en moet – worden opgevat. De fracties in de Tweede Kamer, die zich in het debat als doldrieste eisers van de terugtrekking en niet-ondertekening hebben doen gelden, hebben dus – zo luidt mijn persoonlijke, maar wel logische, conclusie – volledig ongelijk, en daarom heb ik in mijn tweets en ook als titel van deze  blogs, de term ééndimensionaal gebruikt, vanwege dit doldrieste gedrag. Ik geef daarmee aan dat er alleen sprake was van puur zwart/wit denken bij de betrokken oppositionele fracties – het verwerpen van een wet per referendum zou direct aanleiding moeten zijn tot terugtrekking, of zelfs het liefst tot aftreden van de coalitie, maar zo werkt het politiek niet – en daarmee waren deze uitspraken het parlement onwaardig. Dat geldt dus onder meer PVV, SP, Partij voor de Dieren (en 50+?). Onder ééndimensionaal politiek gedrag versta ik dus one-issuepartijen of bewegingen, die geen verband (kunnen) leggen met andere relevante politieke deelonderwerpen, zodat het inhoudelijk beperkte debatten worden, gevaarlijk voor het politieke bedrijf. Waarom gevaarlijk? Het leggen van verbanden is in het politieke bedrijf een noodzakelijkheid is vanwege het algemeen belang dat in het geding is en daarom dienen deelbelangen te worden vermeden. Dat de politiek deze laatste aspecten al decennialang overboord heeft gezet, laat onverlet dat gestreefd moet worden naar het ideaal beeld om via alle relevante deelaspecten te streven naar de gulden middenweg; de enghartige aanpak van heden en de achterliggende decennia van dit verschijnsel van afbraak heeft geleid tot het verzwakte gezag van de Staten-Generaal én overheid, daarom langzaam maar zeker afglijdt tot een bananenrepubliek; overigens zonder de corruptie die in de zuidelijke lidstaten welig tiert.

Eéndimensionaal staat dan vanzelf(sprekend) tegenover ‘multi’dimensionaal gedrag, zoals in het debat het duidelijkst zichtbaar werd gemaakt door D66 en GroenLinks, die zich ruimhartig hebben neergelegd bij hun nederlaag vanwege hun eigen standpunt ‘voor’ het associatieverdrag. Deze beide partijen kunnen worden dan geclassificeerd als 3-dimensionaal; en de tussengelegen partijen zoals VVD, PvdA, CDA, CU, en SGP als 2-dimensionaal. Vanzelfsprekend zijn de twee- of eenmansfracties als afgescheiden van hoofdstromingen, ook 1-dimensionaal vanwege hun rabiaat rechtse karakter (VNL) of dwarsheid (DENK). Voorbeelden van dit laatste heb ik al in blogs op deze plek laten zien.

Deze indeling in een classificatieset van politieke fracties is vanzelfsprekend nieuw en zal worden onderzocht via het debat zelf. Dit wordt deel 3.

Advertisements