Tags

,

Het verschil tussen ééndimensionale en meerdimensionale politici in de @2eKamer (2)

Een handzame start voor een referendumdiscussie is vanochtend afgegeven door politicoloog Philip Van Praag in zijn artikel Leg geen drempel in referendum in de Volkskrant van vanochtend 14 april 2016:

Referendum

Als je wilt voorkomen dat Nederland elke maand een referendum krijgt, stel dan een minimumvereiste van 600 duizend handtekeningen voor het aanvragen van een raadgevend referendum.

Deze waarschuwing vooraf is natuurlijk overdreven, aangezien ondenkbaar is dat iedere maand een referendum wordt uitgeschreven over een thema dat electoraal boeiend genoeg is om een voldoende opkomst te garanderen. Maar deze openingszin van Van Praag maakt wel duidelijk waarom het referendumdebat van gisteren een belangrijke praktische en  symbolisch betekenis had. In de eerste plaats omdat het huidige kiesstelsel volkomen achterhaald is; het Kamerdebat heeft duidelijk gemaakt dat ‘de’ politiek erg leeft als het om de directe invloed van het electoraat gaat. In de tweede plaats dient het achterhaalde stelsel dus te worden vervangen door een meer eigentijds stelsel, waarin de verkozenen in een betere relatie staan tot dat electoraat, want de verhoudingen zijn nu volledig zoek. Het antwoord ligt in een stelsel van directe democratie, zo luidt mijn stellingname. Vanwege die technische mogelijkheid, zoals de nieuwe referendumwet nu heeft bewezen, kan de zinderende spanning van gisteravond worden verklaard. Het regelmatige (3x) handgeklap vanaf de publieke tribune gisteravond, waarbij de eenmalige waarschuwing van de Kamervoorzitter niet hielp, zal dus ook anders aangepakt moeten worden willen we niet in Oost-Europese bananenrepublieken terechtkomen.

# Al voor 6 april barstte de discussie over de spelregels los. Vooral de opkomstdrempel van 30 procent was voor menigeen een bron van ergernis, de voorstellen om die te veranderen buitelden over elkaar heen. De Volkskrant bleef niet achter. In een redactioneel commentaar van hoofdredacteur Philippe Remarque werd de opkomstdrempel gehekeld (O&D, 5 april). Hij wenste een eenduidige keuze voor voor- en tegenstanders.

Ditmaal heeft de snelle invoering van een nieuwe wettelijke bepaling – in de vorm van de Wet op het raadgevend correctieve referendum – de politieke werkelijkheid overdonderd. Met gebruikmaking van digitale aanmeldingsmogelijkheden bleek het voor de organisatoren van het Oekraïne-referendum een fluitje van een cent om toestemming te ontvangen voor ditmaal een officieel referendum, dus anders dan het eenmalige referendum van 2005. Daarom was dit eerste officiële referendum niet meer en niets minder dan een laboratoriumexperiment met april 2016 als startmoment. Nadrukkelijk met ‘april’ erbij, aangezien volgende referenda nu in beginsel een kwestie van maanden is geworden; ‘in beginsel’ omdat het altijd om recente wetgeving moet gaan en het is de vraag of er onder Rutte 2 nog wetsvoorstellen door het parlement heenkomen die referendabel zijn. Want niet ieder goedgekeurd wetsvoorstel zal de belangstelling van het grote publiek oproepen, laat staan een voldoende (nieuw) opkomstpercentage garanderen. Het volgende referendum gaat dus alleen om EU-wetgeving ofwel  –richtlijnen. Voor de helderheid zij opgemerkt dat ik mij heb aangemeld voor het volgende thema van TTIP.[1] Waarom? Omdat ik hierboven schreef dat ik de representatieve democratie een achterhaald beginsel vind, dat dus vervangen moet worden door een stelsel van directe democratie, dat digitaal heel goed mogelijk is en in een volgende blog zal worden uitgelegd (de Digitale Derde Kamer die controle uitoefent op de Staten-Generaal, dus beide Kamers zoals gisteravond al via tweets kenbaar gemaakt). En in de tweede plaats zal ik bijgevolg principieel aan ieder referendum deelnemen, terwijl ik een principieel partijloos burger ben geworden en eigenlijk aan geen enkele ‘gewone’ verkiezing meer wens deel te nemen. Hiermee is dus mijn invalshoek in het komende referendumdebat bekend gemaakt. En dat debat is heel hard nodig omdat de organisatoren als GeenPeil verkeerde voorlichting – zoals de suggestie dat dit associatieverdrag een aanloop zou zijn tot het EU-lidmaatschap – gegeven en dat moet in de toekomst onmogelijk worden gemaakt. Alle betrokken partijen in toekomstige referenda dienen dus ‘controleerbare en objectieve’ voorlichting te geven en manipulatie dient uitgesloten te worden; hoe utopisch dit ook moge klinken.

# Terecht stelt hij [Philippe Remarque] dat een regel die leidt tot strategische afwegingen om wel of niet te stemmen uit den boze is. Hij denkt dit te vermijden door de spelregel in te voeren dat de winnende optie door minstens een kwart van de stemmers gesteund moet worden. Een dergelijke regel wordt ook wel aangeduid als een gekwalificeerde meerderheidseis.

# Minister Plasterk liet kort na het referendum al blijken wel sympathie te hebben voor een dergelijke alternatieve regel. Het lijkt een aantrekkelijke regel, zeker voor politici die gefrustreerd zijn door de huidige uitslag, waarbij de tegenstanders van het associatieverdrag nog geen 20 procent van de kiezers achter zich hadden, maar wel het referendum wonnen.

Deze ‘nog geen 20 procent’ steun van de kiezers kan een oeverloze discussie veroorzaken om tot betere percentages te komen, maar dat ontslaat ons niet van de verantwoordelijkheid om andere opties te onderzoeken. Wat mij betreft kijken we naar het Amerikaanse inschrijvingssysteem, waar de opkomst van het electoraat wordt bepaald door hun feitelijke inschrijving. Iedere stemgerechtigde meldt zich daar aan voor een (voor)verkiezing en daarmee heb je dus al een natuurlijke selectie gemaakt tussen de politiek bewuste enerzijds en niet-geïnteresseerde burgers anderzijds. Het zal duidelijk zijn dat op basis van dit selectiecriterium alleen maar geïnteresseerde burgers zich zullen aanmelden voor een referendum en dan zal geen politicus het in zijn hoofd halen de uitslag van een gehouden referendum ter discussie te stellen. Dat zal dan ook populisten als PVV ervan weerhouden iedere uitslag voor een voldongen feit te stellen, zoals we gisteravond hebben gezien. Dat is pure misleiding. Zelfs ik heb als politiek bewuste burger getwijfeld over voor of tegen, aangezien ik genoeg interviews heb gelezen dat de jonge generatie Oekraïense ondernemers hebben gepleit voor een ja-stem. Dat heeft bij mij de doorslag gegeven, en daarmee ging ik ook tegen mijn principe in om geen enkele dictator of oligarchie te steunen. Ik vind namelijk dat iedere bevolking per natie zelf moet afrekenen met onwelgevallige en dictatoriale regimes. Wij Nederlanders hebben het geluk gehad dat we onze onafhankelijkheid sinds de Tachtigjarige Oorlog hebben bevochten; waarmee ik maar wil zeggen dat iedere natiestaat zijn eigen onafhankelijk – zowel internationaal als nationaal – moet bevechten. Nu staat onze democratische relatie met de EU op het spel en dat ik het gevecht en de strijd van de toekomst.

Schijn bedriegt

# Schijn bedriegt. De gekwalificeerde meerderheidseis is om meerdere redenen even pervers als de nu geldende opkomstdrempel. Dat komt doordat spelregels niet alleen strategisch gedrag kunnen uitlokken bij kiezers, maar ook bij politici, politieke partijen en andere groepen die geacht worden het ter discussie staande voorstel publiekelijk te verdedigen. Bij het afgelopen referendum waren we niet alleen getuige van strategisch stemmen, maar ook van strategisch niet-campagnevoeren.

# Een felle campagne van de voor- en tegenstanders heeft niet alleen veel nieuwswaarde, maar onderzoek heeft ook laten zien dat het de betrokkenheid vergroot en leidt tot een hogere opkomst. Het kan dan rationeel en strategisch zijn om met de handrem op campagne te voeren. Bij dit referendum kon men zien dat het kabinet en verschillende partijen die het associatieverdrag steunden, terughoudend en halfslachtig campagne voerden. Alhoewel betrokkenen dat niet zullen erkennen, lijkt het waarschijnlijk dat strategische overwegingen daarbij een rol hebben gespeeld.

# Een gekwalificeerde meerderheidseis zal dit strategisch niet-campagnevoeren nog aantrekkelijker maken. De praktijk met lokale referenda, waarbij een gekwalificeerde meerderheidseis gold, heeft dit herhaaldelijk laten zien. Zo koos bij het referendum over de Noord-zuidlijn, een metrolijn in Amsterdam, de verantwoordelijk D66-wethouder Bakker ervoor geen of nauwelijks campagne te voeren, omdat dat de tegenstanders van de aanleg in de kaart zou spelen. Een tamme campagne was in zijn belang. De gemeente Amsterdam heeft deze regel later weer veranderd en verlangt nu een opkomst van 20 procent.

Of leg drempel een stuk hoger: op 600 duizend handtekeningen

# In de praktijk zal het er op neerkomen dat bij een gekwalificeerde meerderheidseis het er vooral om gaat of de tegenstanders 25 procent van de kiezers kunnen mobiliseren. De terughoudende campagne van de voorstanders is er op gericht dat te voorkomen. Het te betreuren gevolg is dat het publieke debat aan aantrekkelijkheid en kwaliteit zal inboeten.

# Kiezers die het beleidsvoorstel steunen hebben bij een dergelijke meerderheidseis weinig redenen om te gaan stemmen. Als de tegenstanders 25 procent van de kiezers achter zich weten te krijgen, is het uiterst onwaarschijnlijk dat de voorstanders dat aantal kunnen overtreffen. Dat zou betekenen dat de opkomst minstens 50 procent zou zijn. Een dergelijke hoge opkomst komt zelden voor bij referenda, doordat de groep kiezers die niet geïnteresseerd is in het onderwerp groter is dan bij Twee Kamerverkiezingen. Bovendien stelt een referendum hogere eisen aan burgers, onder andere omdat het lastiger is om te stemmen op basis van partijpolitieke voorkeur.

De meeste stemmen winnen, dat is een oud en goed democratisch principe

# Elke drempel zal in de praktijk de voorstanders voor een dilemma plaatsen en strategisch gedrag uitlokken. Er is maar een manier om dat te vermijden: geen enkele drempel. De meeste stemmen winnen, is tenslotte een oud en goed democratisch principe.

Deze stelling roept vragen op die in deel 2 worden besproken, omdat er een alternatief denkbaar is.

# Als men wil voorkomen dat Nederland elke maand een referendum krijgt, is er een andere oplossing denkbaar. Maak het moeilijker om een raadgevend referendum aan te vragen. De 300 duizend handtekeningen die de referendumwet nu vereist, is aan de lage kant. De staatscommissie Biesheuvel stelde ruim dertig jaar geleden 600 duizend handtekeningen voor en dat aantal was ook opgenomen in het referendumvoorstel van het paarse kabinet. Met dat aantal is in het digitale tijdperk helemaal niets mis.

[Philip van Praag is politicoloog en was tot 2014 verbonden aan de Universiteit van Amsterdam.]

[1] https://milieudefensie.nl/ttip/teken-ttip-referendum?utm_source=adw&utm_medium=cpc&utm_campaign=adw151102-ttip&gclid=CjwKEAjw_7y4BRDykp3Hjqyt_y0SJACome3TT7KRuFImuOncYHZECT7F3Hth7_dTePbiRz_OmJ5foBoCalXw_wcB

Advertisements