Tags

,

Vragen Öztürk

Vragen van het lid Öztürk aan de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, viceminister-president over het bericht “Moslimboegbeelden ingezet voor verzamelen informatie”.

De voorzitter:

Ik heet de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van harte welkom.

De heer Öztürk (Groep Kuzu/Öztürk):

Voorzitter. Deze minister klopt zichzelf regelmatig op de borst over het radicaliseringsbeleid in Nederland. Hoewel DENK vindt dat het beleid selectief is omdat er te weinig aandacht is voor extreemrechtse radicalisering, vinden wij ook dat er een hoop dingen goed gaan.

Er gaan helaas ook dingen fout, zoals blijkt uit berichten dat sleutelpersonen uit de moslimgemeenschap als informant worden ingezet in Rotterdam, Den Haag en Utrecht. Zij geven informatie over jongeren aan ambtenaren, die uiteindelijk kan belanden bij de politie. Het ministerie wilde vrijdag niet reageren op deze berichten.

Ik vraag de minister dus: kloppen deze berichten? Zo ja, slaan we dan niet door in het wantrouwen van burgers? SPIOR uit Rotterdam sprak over een “moslimopsporingsdienst”. Wat vindt de minister hiervan? Ondergraaft dit niet de vertrouwensfunctie van sleutelpersonen? Wie kunnen deze jongeren eigenlijk nog vertrouwen als vertrouwenspersonen worden ingezet als informant? Acht de minister deze aanpak wel rechtsstatelijk?

Minister Asscher:

Voorzitter. Het is belangrijk om in het beleid ter voorkoming van radicalisering onderscheid te maken tussen twee groepen. De eerste is die van de professionals, de docenten, de jongerenwerkers, de buurtwerkers en de wijkagenten. We zorgen door middel van training dat men beter in staat is om signalen te herkennen en weet wat men daarmee moet doen. Ten tweede gaat het om de mensen die in de lokale gemeenschap een vertrouwenspositie genieten, die zich betrokken voelen bij die gemeenschap en die zich zorgen maken over jongeren, waardoor zij een rol spelen als sleutelfiguur.

Vervolgens is de vraag wat iemand moet doen met informatie waar hij kennis van draagt. De eerste categorie is informatie waar een veiligheidsrisico in zit, bijvoorbeeld als er aanleiding is te vermoeden dat een uitreis of een aanslag wordt voorbereid, of dat iemand een dreiging vormt. Het is dan niet de vraag of je die kennis moet delen met de bevoegde instanties; dat ben je dan verplicht. Een tweede categorie is de informatie die mogelijk relevant kan zijn. Het maakt dan heel veel uit wat er van je verwacht mag worden. Een docent of wijkagent moet die informatie bijvoorbeeld gewoon delen. Een derde categorie is informatie die misschien interessant is. Het is dan aan iemand zelf om te bepalen of hij die informatie wil delen. In het laatste geval kan het prevaleren dat iemand best weet dat een jongen rare uitspraken heeft gedaan maar dat dit verder niet gedeeld hoeft te worden, omdat bekend is dat er geen veiligheidsrisico is; het was een puberale actie en het is allemaal onder controle. Dat is aan de vertrouwenspersoon zelf.

Rechtsstatelijk gezien is het cruciaal dat iedere Nederlander verplicht is om kennis die hij of zij draagt van een ernstig misdrijf bij de bevoegde instanties te melden. Er kan sprake zijn van dingen die relevant zijn voor de politie. Die moet je vooral melden. Ik vind het goed dat mensen zich realiseren dat je ons allemaal beschermt door veiligheidsrelevante informatie te delen. Maar je hoeft niet iedere vertrouwenspositie te schaden, want het is uiteindelijk aan mensen zelf om andere informatie wel of niet te delen.

De heer Öztürk (Groep Kuzu/Öztürk):

De minister legt zijn beleid uit maar gaat niet in op de vragen die ik heb gesteld. Nogmaals, deze minister blijft zichzelf op de borst kloppen, maar er komt de laatste tijd meer kritiek op het radicaliseringsbeleid naar voren. Hoe staat het met de effectiviteit van deze aanpak? In Rotterdam leverden 100 sleutelpersonen die opgeleid zijn met heel veel subsidiegeld, heel veel gemeenschapsgeld maar 6 meldingen op, terwijl ouders en professionals 30 meldingen opleverden. Klopt dit? Wat voor soort mensen wordt eigenlijk sleutelpersoon? Zijn dat niet de bobo’s en subsidiesponzen die altijd vissen naar een baantje, de mensen die over de rug van onze jongeren naar een projectje vissen en losstaan van hun gemeenschap? Kunnen we niet beter ouders, burgers en het onderwijs ondersteunen dan geld geven aan deze subsidiesponzen?

Minister Asscher:

Ouders, onderwijzers, jongerenwerkers en politieagenten worden ondersteund. Dit gebeurt op lokaal niveau door de gemeente en via de middelen die het Rijk ter beschikking stelt om de aanpak van radicalisering te versterken. Ik denk dat dat belangrijk is om te voorkomen dat jongeren radicaliseren. Het is belangrijk om die jongeren te beschermen en om de samenleving te beschermen.

Daarnaast zijn er heel veel vrijwilligers die zich bekommeren om die jongeren en die zich soms zorgen maken om de heel snelle verandering in hun gedrag. Ik zou die vrijwilligers niet verdacht willen maken, zoals de heer Öztürk hier doet. Hij beschuldigt hen ervan subsidiesponzen te zijn, terwijl dit betrokken mensen betreft die zich zorgen maken over de jongeren uit hun groep en zich om die reden inspannen om die jongeren erbij te houden. Ze leggen uit hoe Nederland in elkaar zit. Ze houden die jongeren juist op het rechte pad. Ik vind dat bewonderenswaardig. Ik vind dat die mensen een compliment verdienen in plaats van een veeg uit de pan.

Nee, er is geen afgebakende groep van sleutelfiguren. Er is geen definitie waardoor iemand een sleutelfiguur is of niet. Er is een groep van professionals die voor Nederland heel belangrijk werk doet. Deze mensen staan met hun poten in de modder. Ze zijn iedere dag op straat, op school en in de wijkcentra te vinden. Daarnaast zijn er vrijwilligers die zich bekommeren om de gemeenschap.

De heer Öztürk (Groep Kuzu/Öztürk):

De minister heeft het over vrijwilligers, maar — dat is de andere kant — dit zijn meestal mensen uit het bekende circuit, zoals moskeebestuurders, bestuurders die dicht bij bepaalde politieke partijen staan. Het zijn meestal mensen die gevraagd worden om inlichtingen en informatie te geven. Ik heb al maanden geleden voor deze praktijken gewaarschuwd. We handelen in dit land te veel vanuit wantrouwen. Zogenaamd invloedrijke personen zaaien angst in de media, zoals vorige week onze subsidie-imam Elforkani dat deed. Waar worden deze mensen vervolgens mee beloond? Met een baantje? Of met subsidie? Een zetel in de Kamer? Deze minister zet moskeebestuurders dus in als betaalde spion, maar hij weigert om deze moskee te beveiligen. Er zijn terroristische aanslagen gepleegd in een moskee in Enschede, en deze minister wil geen middelen inzetten om die moskee te beveiligen. Wel vraagt hij bestuurders om informatie te geven. Dit doet me denken aan Stasipraktijken. We hebben in dit land toch een Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst en geen “Moslim Inlichtingen- en Veiligheidsdienst”?

Ik rond af. Waarom dit wantrouwen, vraag ik de minister. Waarom gaat hij mee in het frame van de rechtse partijen? Waarom worden problemen vanuit de moskeeën en moslims benaderd, in plaats van vertrouwen te geven? Waarom krijgen subsidiejagers en baantjesjagers wel geld en moskeeën die beveiligd willen worden niet?

Minister Asscher:

Je moet wel heel veel lef hebben en heel brutaal zijn om eerst te vragen waarom er zo uit wantrouwen wordt gehandeld, en vervolgens met één veeg uit de pan mensen die zich inzetten voor het algemeen belang, zoals moskeebestuurders en vrijwilligers, hier verdacht te maken. Dat vind ik echt een gotspe, om eens een goed Nederlands woord te gebruiken. Deze mensen zetten zich in voor ons allemaal. Zij verdienen het niet om hier van Stasipraktijken beschuldigd te worden door een mijnheer die zelf echt geen vijf seconden langer nadenkt.

Dan kom ik op het tweede punt, namelijk de veiligheid. Dat punt is echt heel belangrijk, want iedere keer gebeurt hetzelfde. De veiligheid van iedere Nederlander is het kabinet even lief. Iedere instelling die te maken krijgt met bedreiging of geweld kan rekenen op de overheid, of het nu een instelling van joden, christenen, moslims of atheïsten betreft. Ik ben samen met de NCTV naar de leden van die islamitische gemeenschap toegegaan om hen ervan te verzekeren dat, als de analyse aangeeft dat dit nodig is, er nog datzelfde uur, nog dezelfde minuut of seconde beveiliging zal zijn. Waar beveiliging nodig is, zal die er zijn. Ik vind het stemmingmakerij om iedere keer te doen alsof er onderscheid wordt gemaakt. De heer Öztürk weet heel goed dat dit niet zo is. Het is veel te belangrijk om, tegen het wij-zij-denken in, te blijven onderstrepen dat iedere Nederlander bescherming en beveiliging verdient. Iedere Nederlander verdient het gevrijwaard te blijven van goedkope verdachtmakingen en wantrouwen.

De voorzitter:

Mijnheer Öztürk, u hebt nog 25 seconden voor een afrondende opmerking.

De heer Öztürk (Groep Kuzu/Öztürk):

Dank u wel, mevrouw de voorzitter. De minister behandelt hen niet gelijk. Aan synagogen heeft hij terecht 1,5 miljoen euro gegeven, maar niet aan de moskee in Enschede waar op klaarlichte dag twee molotovcocktails naartoe werden gegooid, terwijl dit volgens het Openbaar Ministerie een terroristische daad was. Die dubbele maat moet hij eerst aanpakken. Wij maken niemand verdacht, maar wij laten ook niemand misbruiken voor de praktijken van deze minister.

Minister Asscher:

Het blijft bij fact free. Juist naar aanleiding van Enschede is het Openbaar Ministerie terecht gaan vervolgen wegens een terroristisch oogmerk. Juist bij Enschede zijn gelukkig heel snel verdachten opgepakt. Er kan vervolging plaatsvinden en het strafrecht kan daar zijn werk doen. Juist naar aanleiding van Enschede en de dreigbrieven naar meer dan 30 moskeeën ben ik samen met de NCTV, mede namens de minister van Veiligheid en Justitie, in gesprek gegaan met de islamitische gemeenschap. Dat doen we op basis van veiligheidsanalyses en op basis van risicodreiging. Dat doen we op dezelfde manier voor alle inwoners van ons land. Dat blijven ontkennen zonder dat je daar feiten voor levert, draagt niet bij aan waar het ons hier om moet gaan. Ik hoor de heer Öztürk nu allemaal geluid maken buiten het woord. Dat is aan hem, maar het is meestal wel een teken van zwakte. Waar het om gaat, is dat we mensen gelijk behandelen. En dat blijven we doen.

[bron: vragenuur Tweede Kamer van gisteren, 12 april 2016]

Advertisements