Tags

, ,

In het verlengde van de blog van gisteren, hierbij dezelfde omstandigheden maar beschreven vanuit het boek De passage naar Europa door Luuk van Middelaar (3e dr 2010, p. 110-112).

‘Een belangrijk voorval had plaats op 18 mei 1982. De Raad ging voor het eerst over tot stemming tegen de uitdrukkelijke wens van een lidstaat. Het ging om het jaarlijkse besluit over de landbouwprijzen. De Britten hadden eerder met die prijzen ingestemd, maar wilden nu per veto de besluitvorming blokkeren vanwege heibel over het budget – een ander dossier. Dit werd niet aanvaard. De ‘gewichtige belangen’ uit het Luxemburgse akkoord dienden volgens een meerderheid van de Raad de zaak zelf te betreffen. De Belgische voorzitter zette de stemming door. Londen werd alleen gesteund door Kopenhagen en Athene en overstemd. De Britten meenden slachtoffer te zijn van de eerste schending van het Compromis ooit. Een oud-minister, aanwezig toen premier Heath in 1971 tijdens de lidmaatschapsonderhandelingen met de Franse president overeenkwam dat vitale beslissingen bij unanimiteit genomen zouden blijven, was woedend. Hij waarschuwde dat de Gemeenschap het lot van ‘een gevallen eik’ wachtte wanneer de Tien niet begrepen dat respect voor het Compromis van Luxemburg essentieel was voor haar werking en overleven. Opmerkelijk was inderdaad dat Parijs zich bij de oude Vijf (en Dublin) schaarde. De Franse minister van landbouw preciseerde na afloop: het Compromis werd door haar regering niet opgegeven, maar ‘het doel ervan is nooit geweest en kan ook niet zijn dat een lidstaat bij machte is het functioneren van de gemeenschap te verlammen.’

‘Dit precedent gaf een belangrijke draai aan de werking van het Compromis. Enerzijds diende men zijn partners in de Raad te overtuigen dat het ingeroepen nationaal belang serieus en terzake was. Zomaar wat roepen ging niet. Anderzijds ging het belang van de Gemeenschap als geheel gewicht in de schaal leggen bij de oordeelsvorming. De kleine concessie die de Vijf in 1966 in de tekst hadden gepriegeld (aan het slot van punt 1) droeg vrucht. Voor het eerst werkte de politieke notie van het ‘belang’ tegen het veto, ten gunste van de gezamenlijkheid.

‘Hiermee was het Compromis niet van tafel. Toch is deze stemming uit 1982 een keerpunt. Vier politieke feiten hadden bijgedragen aan de veranderde ambiance. Ten eerste was er sinds 1979 een rechtstreeks gekozen Europees Parlement. Dit ontdekte snel dat meerderheidsbesluitvorming in de Raad een voorwaarde was voor een zelfstandig politiek bestaan. Het begon zich dus te roeren, hetgeen weerslag had op de parlementsgevoelige Duitse en Italiaanse regeringen. Ten tweede was in 1979 in Groot-Brittannië Thatcher aan de macht gekomen. Zij prikkelde haar partners met de ongegeneerde wijze waarop ze blokkades opwierp. Ten derde was in 1981 Griekenland toegetreden als tiende lid en zaten Spanje en Portugal in de wachtkamer als elk en twaalf. Deze toename van het aantal leden versterkte het argument dat het veto onwerkbaar werd. Ten vierde kozen de Fransen in mei 1981 met Mitterrand voor het eerst sinds de Generaal een president die kon regeren zonder de gaullisten. Dit laatste feit was doorslaggevend. De opening werd echter niet meteen ten volle benut, zoals bleek bij de ondertekening van een plechtige Verklaring over Europa (1983). Terwijl de oude Vijf – Duitsland, Italië en de Benelux – de afschaffing van het ‘Luxemburgse veto’ bepleitten, hield Frankrijk er evenals de vier nieuwe lidstaten aan vast.

‘Mitterrands bekering kwam een jaar later. Na het echec van zijn socialistische experiment zocht hij in Europa een nieuw projectiescherm voor hoop en staatsmanschap. Drie weken voor de Europese verkiezingen van juni 1984 zei de Franse president in het Straatsburgse Parlement, meermalen onderbroken door applaus: ‘Hoe kan het complexe, gediversifieerde geheel dat de Gemeenschap is geworden, zichzelf besturen overeenkomstig de regels van de Landdag van het oude Poolse koninkrijk, waarvan elk lid de beslissingen kon blokkeren? We weten hoe dat is afgelopen. Het is tijd om terug te keren naar een normalere, beloftevollere praktijk; de Franse regering, die aan de wieg van het Compromis heeft gestaan, heeft al voorgesteld om het gebruik ervan te beperken tot welomschreven gevallen. Dat in de praktijk tegenwoordig al vaker over belangrijke kwesties wordt gestemd is een voorbode van de terugkeer naar de Verdragen.

‘Deze plechtstatige toespraak, bijna een Europese geloofsbelijdenis bezegelde het einde van de gaullistische doctrine. De weg naar meerderheidsbesluitvorming lag open. Opvallend is het gebruik van de leuze, destijds populair in Brusselse kringen, van de ‘terugkeer naar het Verdrag’. De term is een briljante leugen. Het betrof een terugkeer naar een plek waar Europa nooit was geweest. De reis naar terra incognita die De Gaulle op 1 januari 1966 had geweigerd te maken werd achttien jaar later door Mitterrand verkocht als een thuiskomst in de haven.

‘Dit is het genie van het Compromis van Luxemburg: de politieke sprong naar de meerderheid kon worden verhuld als het intrekken van een voorafgaande juridische misstap. De twee werelden van verdragsrecht en machtspolitiek die het akkoord tot samenleven hadden bedwongen, waren inmiddels beter op elkaar ingespeeld. Beide partijen hadden geleerd dat dubbelzinnigheden behalve weggeredeneerd ook konden worden benut. Dankzij de duurzame overstap over de stichtingsrivier uit 1966 kon elke lidstaat het gewicht haast ongezien van het ene naar het andere been verplaatsen. Zo stichtte Europa zichzelf achterwaarts.’

Tot zover deze aanvulling over de moeizame verhoudingen binnen de Europese Raad.

Advertisements