Tags

, ,

Te duur om waar te zijn (Koen Haegens (beeld Milo), De groene Amsterdammer, 28.5.2015)

Linkse bezwaren tegen het basisinkomen

Het basisinkomen staat volop in de belangstelling, deze keer vooral in progressieve kringen. Op die kritiekloze omarming valt veel af te dingen.

‘En wat gebeurt er als er vervolgens een recessie komt? Als de overheid moet bezuinigen, dus ook op die enorme kostenpost van het basisinkomen? Meer loon vragen haalt in zo’n situatie weinig uit. Werkgevers hebben ook last van de economie; bovendien hebben werknemers weinig te eisen in crisistijd. Daar sta je dan. Met je basisinkomen.’

Wat in dit nuttige artikel is over het hoofd is gezien, want niet denkbaar dat het per ongeluk genegeerd is, dan wel vergeten, is het feit dat de invoering van het basisinkomen waarbij een aanvulling via arbeid noodzakelijk is, betekent dat ons bruto-inkomen dat hevig zal veranderen omdat alle sociale inhoudingen zullen kunnen verdwijnen, zodat de arbeid vele malen goedkoper wordt dan nu het geval is. Bruto-inkomens verdwijnt mogelijk en alles in de arbeidswereld wordt in netto-inkomens uitbetaald. In deze richting – zo kan ik mij herinneren vanuit de jaren zeventig van de vorige eeuw – heeft het basisinkomen als publiek thema zich afgespeeld. Het komt dus neer op een tweezijdige hervorming van de samenleving, waar dan wel iedereen aan mee moet doen in een betaalde functie, maar dan vanuit een basisinkomen dat door de overheid natuurlijk wordt verstrekt. Voordelen: 1. Nagenoeg het hele sociale vangnetstelsel kan verdwijnen en dat betekent een enorme sanering van de bureaucratie, maar belangrijker nog, van overheidsuitgaven; 2. De factor arbeid wordt vele malen goedkoper als er geen bruto inkomens meer bestaan.

Maar de tegenwerping is de financiële sectoren, waar de bankiers, verzekeraars en soortgelijke beroepscategorieën natuurlijk hun forse en zelfs exorbitante inkomens plus bonussen blijven incasseren, omdat ze met minder geen genoegen nemen. Dat wordt dus een enorme machtsstrijd aangezien deze consequentie zal uitmonden in een weigering om deel te nemen in een nationaal stelsel van het basisinkomen.

De tweede vraag is of ons land dit stelsel kan invoeren, waarmee ons begrotingsbeleid geheel op de schop gaat en dat binnen de EU, waarin alles is vastgelegd. Maar dit is een praktisch vraagstuk binnen de wettelijke Europese bepalingen waaraan wij gebonden zijn sinds we de EU zijn binnengetreden.

Eerder moet worden uitgezocht of dit stelsel feitelijk uitvoerbaar is aangezien alle consequenties moeten worden overzien. Ons land wordt immers bij invoering van dit basisinkomen vooralsnog een eiland te midden van omringende landen zonder dit stelsel. Kan dit wel? Voor de duidelijkheid, als er een solide basisinkomen als algemeen stelsel kan worden ingevoerd, gaat andere landen wel meedoen, maar er komt dus het eerder genoemde conflict tussen de ‘grootmacht’ van de multinationals en grote zakenbanken die hun eigen route blijven volgen en zichzelf puissant grote inkomens blijven toebedelen, vooral in deze wereld van girale en virtuele geldcreatie. Dit is een groter probleem dan de genoemde bezwaren tegen het basisinkomen in het geciteerde artikel. Voer voor de economenwereld dus.

Advertisements