Tags

, , , ,

‘De vraag bij voorstellen als die van de Skidelsky’s is: moet het stellen van andere prioriteiten in ons economisch handelen worden afgedwongen met overheidshandelen? Of zou het inzicht dat in een al rijk land meer inkomen niet gelukkiger maakt, van onszelf, maar meer nog van de politieke en bestuurlijke elite die sturing geeft aan onze maatschappij, moeten komen?’

[Uit: Jaap van Duijn, Uit balans. Hoe de Nederlandse economie in het ongerede raakte. De Bezige Bij, 2015, p.195]

Het antwoord is naar mijn gevoel vanzelfsprekend dat de politieke en bestuurlijke elite – lees: politieke partijen – die sturing – lees: zou moeten – geeft aan onze maatschappij, maar dat we ons ook realiseren dat die elite er niet mee zal komen. Waarom niet? Omdat ze er zelf nog niet over hebben nagedacht, maar meer nog dat het niet eens tot ze zal doordringen dat hier een vraag ligt om beantwoord te worden. En als het toch zou kunnen doordringen: wat haal je met zijn vraag niet allemaal overhoop? Nee, die lef hebben politieke partijen toch niet, laat staan de visie die nodig is om zulke vragen te beantwoorden. De politiek is immers een wereld van angsthazen waar alleen maar belangenstrijd aan de orde is tot aan de volgende verkiezingen, en waar men dus Spaans benauwd is voor mogelijke veranderingen in het bestaande stelsel.

Maar er geldt ook een méér praktisch argument als antwoord op Van Duijn. Waar hij spreekt van ‘het inzicht dat in een al rijk land meer inkomen niet gelukkiger maakt’, daar geldt dat alleen voor gespecialiseerde economen, zoals de auteur zelf, maar niet voor de gehele bevolking. In tegendeel zelfs, want de bevolking is hiervan onkundig. De bevolking leest alleen in de krant dat de topsalarissen en bonussen weer per kwartaal omhoog gaan en dat maakt het volk steeds kwader, omdat de modale werknemer niets van die ‘toegenomen’ welvaart merkt. Dus zijn het de bestuurders annex zakkenvullers die er alleen van profiteren. Dat maakt dat deze samenleving zo uit balans is, zoals het boek van Van Duijn heet, en waarom onze maatschappij zo overduidelijk onrechtvaardig is. En daar kotst het volk van.

Kortom, de politiek moet het thema van een inkomensverdeling op de politieke agenda plaatsen en tegelijkertijd ook de veranderingen die economisch gaande zijn, en waardoor ons land – en ook de hele westerse wereld – in een ‘vervangingseconomie’ terecht is gekomen, met alle gevolgen voor onze arbeidsmarkt met steeds meer werklozen die ook nooit meer teruggedraaid zullen worden (zie hfd 15: ‘Genoeg’ uit het geciteerde boek).