Tags

, , , ,

Harde cijfers interessanter dan mythes over sociale zekerheid (Peter van Lieshout, Opinie & Dialoog/fd, 3 maart)

In Oost-Azië neemt werkloosheidsvoorziening de vorm van een baan voor het leven bij één bedrijf

‘Nederland kent een redelijk ontwikkelde verzorgingsstaat. Hoe ver die doorontwikkeld moet worden, is een permanent discussiethema.’

Dit permanente discussiethema zal vooral in vergelijking met alle Europese maar ook de globale Angelsaksische en Aziatische stelsels gevoerd moeten worden en hun invloed op of relatie met de overheidsuitgaven om de concurrentiekracht op peil te houden. Het gaat dus niet meer om de eigen nationale traditie die sinds de opbouw van onze eigen verzorgingsstaat tot heden maatgevend is geweest.

‘Allereerst is het gemeengoed om te menen dat de Scandinavische landen een heel uitgebreide verzorgingsstaat kennen, de continentaal-Europese een iets beperktere, de Verenigde Staten een hele beperkte, en de (welvarende) Oost-Aziatische geen enkele. Nederland wordt dan gezien als een welvaarstaat van bijna Scandinavische proporties.

‘De impliciete maatstaf hierbij is de omvang van de overheidsvoorzieningen. Dat beeld is echter erg vertekend: er is steeds meer sprake van convergentie. In de VS is het bijstands- en sociale zekerheidssysteem net als in Europa steeds meer ontwikkeld, al is dit meer dan in Europa gericht op terugkeer naar werk.

‘De VS kennen behalve een federale component ook sociale programma’s op staatsniveau. De steun is wel vaker gericht op specifieke groepen. Ook door de veranderingen van de laatste jaren in de meeste Europese stelsels is het verschil met het Amerikaanse stelsel sterk verminderd. Het grootste verschil is nog dat het niveau van de voorzieningen — en daarmee de definitie van het armoedeniveau — in de VS in de meeste staten lager ligt dan in de meeste Europese landen.

‘Voor gezondheidszorg en pensioenen leunt het systeem in de VS meer op private bijdragen, maar de Amerikaanse overheid neemt op die gebieden steeds meer verantwoordelijkheden op zich, terwijl in Europa sprake is van een voorzichtige privatiseringsbeweging. In de VS geeft de overheid zelfs een hoger percentage van het bruto binnenlands product uit aan publiek gefinancierde gezondheidszorg dan de meeste Europese landen: Medicare en Medicaid alleen al kosten naar verhouding evenveel als de verplichte Duitse zorgverzekering — al zeggen deze cijfers ook veel over de efficiency van het Amerikaanse gezondheidszorgsysteem. Op een vergelijkbare manier is de Amerikaanse publieke bijdrage aan pensioenen niet veel lager dan in Duitsland.

‘Omgekeerd geldt dat in Oost-Azië in een behoorlijk tempo een verzorgingsstaat wordt opgetuigd. In Korea viel de regering vier jaar geleden nog bijna over de vraag of de overheid moest voorzien in maaltijden voor kinderen die op school overbleven: dat was een heel fundamentele vraag. Inmiddels is dat geen vraag meer en is Korea zelfs bezig om een algemene voorziening voor langdurige zorg te introduceren; Taiwan deed dat drie jaar eerder, en Japan deed dat eind jaren negentig. Regelingen als een arbeidsongeschiktheidsverzekering en een werkloosheidsvoorziening bestaan niet als formeel construct, wel als praktische regeling; werknemers hebben een baan voor het leven bij het bedrijf waar ze werken — dat bedrijf verzorgt mensen gedurende hun hele werkzame bestaan.

Verschillen worden niet alleen kleiner, ze zijn ook vertekend door het feit dat sommige landen uitkeringen in natura verstrekken (subsidies voor huisvesting, gezondheidszorg en inkomen) waar geen belasting over betaald wordt, terwijl andere landen — zoals de Scandinavischehoge uitkeringen kennen maar deze ook belasten, en weer andere — zoals de VSveel vormen van belastingaftrek kennen die niet direct in de (uitgaven-)statistieken terug te zien zijn.

‘De Oeso heeft enkele jaren geleden een dappere poging gedaan om al deze verschillen te verdisconteren, en dan verdwijnen ook de verschillen in de hoogte van de uitgaven voor sociale zorg in overwegende mate. In 2007 blijkt Frankrijk de hoogste netto sociale uitgaven (33% van het bbp) te kennen, gevolgd door België, Duitsland, Zweden, de VS, het Verenigd Koninkrijk, Italië, Oostenrijk, Denemarken en Nederland (25%) — een heel andere volgorde dan de gangbare.

Verschillen worden dus steeds geringer. Het blijft echter interessant om deze (beperkte) verschillen tussen landen af te zetten tegen de prestaties van die landen. Het CPB heeft al eerder in een studie laten zien dat de Scandinavische landen en Nederland het op bijna alle sociaaleconomische prestatie-indicatoren beter doen dan de continentale, Angelsaksische of mediterrane verzorgingsstaten: de armoede is geringer, ouderen zijn beter af, er is minder discriminatie, en de gezondheidszorg en het onderwijs staan er op een hoger peil — en dat dus blijkbaar tegen een minder dan gemiddeld feitelijk kostenniveau.’

Dit zijn boeiende uitkomsten van dit onderzoek. Het is niet meer dan logisch dat de achtergebleven verzorgingsstaten, zoals de Angelsaksische en Aziatische een inhaalslag moesten maken – al zijn er structurele verschillen zoals in Japan waarin het bedrijfsleven voor een belangrijk deel invulling geeft aan het Philipsmodel, namelijk sociale voorzieningen binnen het bedrijf zelf omdat het bedrijf zich als een grote familie presenteert en ‘gedraagt’.

Waarom is die inhaalslag logisch? Omdat het ontstaan van de verzorgingsstaat in ons land, gestart in primaire vorm in het laatste ‘kwartaal’ van de negentiende eeuw met als startpunt Het Kinderwetje van Van Houten (1874), maar de definitieve vormgeving na de Tweede Wereldoorlog op basis van de eerste moderne schetsen van Beveridge en Keynes. Sociale spanningen van het beginnende industriële samenleving maakten de sociale wetgeving en later de sociale regelgeving noodzakelijk en dat gold met name na het ontstaan van het hectische laatkapitalisme van de tweede helft van de 20e eeuw. Zonder enige vorm van verzorgingsstaat redden hoogtechnologische industriële samenlevingen het niet in deze tijd, zonder risico’s op sociale revoluties te lopen. Daaruit valt de geconstateerde convergentie te verklaren die door Lieshout zijn vastgelegd.

Op deze basis, maar ook na het formele, officiële einde van de schulden- en bankencrisis in de eurozone, dienen de nieuwe contouren zichtbaar te worden van de nieuwe stijl verzorgingsstaten binnen de EU; waarbij de waarschuwing afgegeven moet worden dat de neoliberalen in ons land (VVD en D66) er alles aan zullen doen om de saneringsslag van dit moment in blijvend beleid om te zetten zonder dat de inkomensverhoudingen in ons land ter discussie worden gesteld. Je kunt vanuit de logica van de opbouw van de verzorgingsstaat niet zomaar aannemen dat de bezuinigingsronden van de afgelopen jaren ongestraft zullen worden geaccepteerd zonder dat het welvarende en het extreem gefortuneerde deel van bevolking nauwelijks een bijdrage hebben geleverd vanwege het wegsluizen van hun fortuinen. Wat de Griekse multimiljonairs-reders nu gaat gebeuren, zal in het overige EU enige jaren later gaan volgen. De redelijkheid en rechtvaardigheid ligt immers in het gegeven dat met hun fortuinen ook een sociale bijdrage mag worden verwacht aan het menselijk gezicht van een ingekrompen verzorgingsstaat.

Inderdaad, de noodzaak daartoe dient zich nu aan vanwege de aardbevingen in Groningen, alwaar de gasbel te gemakkelijk werd ingezet om de verzorgingsstaat extra op te tuigen, want het kostte ons niets. Maar nu de gaswinning stevig zal moeten worden verminderd, zelfs sterk moet worden teruggebracht, mag dat niet tot consequentie hebben dat ons redelijke sociale voorzieningenstelsel de dupe zal worden, vanwege namelijk de omstandigheid dat er privé zoveel rijkdom in ons land aanwezig is. Dat zou ethisch een hoogst onrechtvaardige situatie zijn; een beschaving als de onze onwaardig.

Advertisements