Tags

, , ,

Doem van een nieuwe eurocrisis (Ulko Jonker, Voorpagina/fd, 17 oktober)

De situatie in de eurozone lijkt verdacht veel op de omstandigheden in 2010

‘Voor Merkel is de onrust slechts de bevestiging van de eurolanden nog herder moeten hervormen en zich nog beter aan de begrotingsafspraken moeten houden. ‘Ik zeg het nog een keer: we zijn er nog lang niet’. Voor de Franse president François Hollande is de onrust daarentegen het signaal dat de eurozone het roer om moet gooien.’

Gisteren heb ik hier aandacht aan besteed, en naar mijn opvatting maken Frankrijk en Italië misbruik van de onrust op de zakelijke en financiële markten. Maar waarom haal ik hierbij Paul De Grauwe aan, die vanochtend op BNR-radio te horen was. Ik heb het gedeelte met De Grauwe nog niet beluisterd, maar ben wel zijn nieuwste boek De limieten van de markt aan het lezen en wil in verband met de eurocrisis duidelijk maken dat ik nog geen standpunt inneem over het Europese beleid, maar wel dat zijn tekst voor mij het overduidelijke bewijs levert dat de Nederlandse politiek (zowel regering als de Staten-Generaal en de overheid in de vorm van De Nederlandsche Bank) geen visie hebben op de huidige problemen in Europa, althans in de EU.

Daartoe zal een serie blogs verschijnen beginnend bij het slothoofdstuk 12 (Pendelbewegingen tussen markt en overheid) om vervolgens het hele boek hier in de vorm van belangrijkste passages te bespreken.

Paragraaf 1: De financiële crisis: keerpunt in de opgang van de markt?

‘De financiële en economische crisis van 1929 was een belangrijke mijlpaal in de opgang van de overheid in grote delen van de wereld. Die crisis leidde tot een spectaculaire en langdurige daling van de nationale productie in veel landen en tot massale werkloosheid in de industriële wereld. Deze dramatische ontwikkelingen brachten het vrijemarktsysteem in diskrediet. Gestuwd door volksprotesten en sociale instabiliteit namen de nationale overheden in veel landen de economische touwtjes in handen. Het is nu de vraag of de bankencrisis van 2008 tot eenzelfde ommekeer kan leiden.

De financiële crisis van 2008 had dezelfde oorsprong als de krach van 1929. In beide gevallen was er een periode van grote euforie aan voorafgegaan. Deze had bedrijven en gezinnen ertoe aangezet te investeren om te consumeren. Banken gingen daarin mee en stimuleerden investeringen en consumptie via goedkoop krediet. Grote schulden werden opgestapeld, totdat het kaartenhuisje in elkaar stortte.

Het vervolg van het verhaal van de jaren dertig en de recentere crisis is echter helemaal anders. Dat is te zien in figuur 12.1. Deze geeft de maandelijkse ontwikkeling weer van de wereldwijde industriële productie vanaf de start van de twee crisissen [Vlaams? In het Nederlands bestaat toch alleen het meervoud ‘crises’?] (juni 1929 en april 2008). Het verschil is opmerkelijk. Terwijl in de jaren dertig van de vorige eeuw de industriële productie bleef dalen tot ongeveer veertig maanden na de start van de crisis in 1929, begon de industriële productie ongeveer twaalf maanden na april 2008 opnieuw te stijgen. De initiële daling   van de productie was in beide historische episodes dus even sterk onmiddellijk na de start van de crisis, maar de heropleving na de crisis van 2008 begon veel vroeger dan na de crisis van 1929. Hoe komt dat?

Het antwoord is dat economen en beleidsbepalers hebben geleerd van de fouten van d edepressie van de jaren dertig. Toen reageerden de overheden totaal verkeerd. In plaats van geld in de economie te pompen toen de financiële crisis uitbrak in 1929, verkrapten de nationale banken in veel landen het krediet. Het gevolg was dat nog meer banken over de kop gingen en grote delen van de economie in het faillissement stortten.

De regeringen begingen gelijksoortige fouten. Toen ten gevolge van de daling van de productie de overheidsinkomsten terugliepen en het begrotingstekort toenam, probeerden overheden een evenwicht in de begroting te behouden. Ze verhoogden daarom de belastingen en verminderden de uitgaven. Dat had tot gevolg dat de economische neergang nog krachtiger werd.

Na de bankencrisis van 2008 reageerden de centrale banken en regeringen in de meeste landen helemaal anders. De centrale banken pompten massaal veel geld in de economie, en de regeringen lieten stijgingen van het begrotingstekort toe. Dit had tot gevolg dat de neerwaartse spiraal vlug gestopt werd. Een tweede Grote Depressie in de wereld werd voorkomen. Paradoxaal kan men daarom stellen dat de overheden (centrale banken en regeringen) door hun reacties na 2008 het vrijemarktsysteem hebben gered.’

Deze citaten dienen als inleiding om het betoog van De Grauwe in dit slothoofdstuk voort te zetten. Het curieuze van zijn boek is namelijk dat de liberaal De Grauwe duidelijk maakt dat het kapitalisme tegen zijn natuurlijke grenzen aanloopt en vervangen moet worden door een stelsel dat hij als een ‘reformistisch scenario’ omschrijft, maar dat in Nederlandse termen neerkomt op een fundamentele aanpassing van het kapitalisme, omdat dit kapitalisme in mijn bewoordingen niets anders is dan neoliberalisme, dat ongevoelig is voor de negatieve aspecten van dat eenzijdige economische liberalisme. Het ware volkskapitalisme gaat de hele bevolking aan en daar waar onrechtmatigheden ontstaan in de vorm van ethisch onverantwoorde vermogensverschillen – hierop gaat De Grauwe uitgebreid in – daar loopt het kapitalisme in de fuik van zijn eigen ogenschijnlijke succes, maar het blijkt een vals succes te zijn want strijdig met sociale rechtvaardigheid. Hiertegen vecht De Grauwe zeer terecht. Daarmee is hij nog de enige ware liberaal binnen het Europese continent. Met dit boek zal hij dus nog de Nobelprijs in de wacht gaan slepen.

Advertisements