Tags

Eerste Kamer is het probleem (hoofdredactioneel commentaar NRC Handelsblad, 25 juni)

‘Gechargeerd gesteld: het zijn de niet-rechtstreeks gekozen ‘deeltijd-politici’ van de Eerste Kamer die hierdoor de rechtstreeks gekozen Tweede Kamer gijzelen. Vervolgens gaat het al weer snel over het bestaansrecht van de Eerste Kamer. Halbe Zijlstra, voorzitter van de Tweede Kamerfractie van de VVD, verweet de senaat vorig jaar een continue ondermijning van het politieke primaat van de Tweede Kamer. Binnen zijn partij heeft Zijlstra een commissie aan het werk gezet die met oplossingen moet komen.’

Jammer dat Zijlstra deze interne VVD-commissie aan het werk heeft gezet, in plaats van een onderzoekscommissie van de Kamer, die een groter gezag heeft dan een simpele VVD-commissie die in een belangenstrijd verzeild raakt van de Eerste en Tweede Kamer en daarmee geen objectieve oplossing kan aanbieden. De voorzitter van de Eerste Kamer, een VVD-lid, staat immers als streng docent Nederlands recht bekend aan de Leidse juridische faculteit, maar niet als staatsrechtgeleerde. Wij kunnen ons niet voorstellen dat het vak staatsrecht niet is opgenomen in het curriculum Nederlands recht, maar mevrouw Broekers gaf geen blijk van haar specifieke kennis omtrent de parlementaire geschiedenis van ons land, en met name niet omtrent Thorbecke en de gang van zaken rond de grondwetsherziening van 1848. Een duidelijke leemte in haar kennis dus en daarmee getuigend van haar conservatieve instelling.

De NRC had ook gelijk met de onderstaande opmerking:

‘In een vraaggesprek met deze krant relativeerde Eerste Kamervoorzitter Ankie Broekers-Knol gisteren deze kritiek, door te stellen dat de senaat het afgelopen jaar maar één wetsvoorstel heeft afgewezen. Daarmee gaat ze voorbij aan het zich meestal in de achterkamers afspelende voortraject, waarbij het kabinet zich door gesprekken met de gedoogpartners moet zien te verzekeren van een meerderheid.’

Voorzitter Broekers-Knol geeft hiermee geen blijk van te beschikken over zelfkritisch reflectievermogen en is daarmee op voorhand al ongeschikt als voorzitter van de Eerste Kamer en dat is op zichzelf een trieste constatering, al werd ze eerder bejubeld toen ze zich een daadkrachtige voorzitter toonde, doordat minister Blok te laat verscheen tijdens een plenair debat.

Ook de slotconclusie van NRC is terecht:

‘Feit is dat er in de Eerste Kamer een andere meerderheid is dan in de Tweede Kamer. Maar dat wordt niet opgelost door de senaat, net als voor 1983, om de drie jaar voor de helft te laten kiezen, zoals Broekers suggereert. Ook dan kunnen verschillende meerderheden ontstaan door gewijzigde kiezersvoorkeuren. Als er al sprake is van een probleem, dan is dat toch echt de Eerste Kamer zelf.’

De Eerste Kamer verkeert in een ernstige identiteitscrisis en dat is aan dit hoge college van staat zelf te wijten. De vigerende voorzitter is geen waardige opvolger gebleken haar voor-voorganger Tjeenk Willink, die de ware voorzitter-staatsrechtgeleerde was. Mevrouw Broekers mist die competentie en zij heeft helaas ook geen besef van de tijdgeest. Zij zou dus wel eens de laatste senaatsvoorzitter kunnen blijken te zijn, ware het niet dat deze conservatieve Eerste Kamer nooit met haar eigen verdwijning uit het parlementaire bestel zou kunnen instemmen. Zo houdt een archaïsch conservatief bestel zichzelf in stand… en dat leidt tot een definitieve ondergang van deze politieke constructie.

.