Tags

,

Wat is er aan de hand met de Nederlandse politiek?

In kort (2 A4tjes-)bestek:

1. Nederland was een pacificatiedemocratie (Arend Lijphart) die noodzakelijkerwijs uitmondde in een consensusdemocratie vanwege onze verzuilde samenleving. Was, omdat de zuilenmaatschappij niet meer bestaat (onze samenleving kent nog wel degelijk vele denominaties, maar die kennen geen ‘ijzeren’ – Michels – bindingen meer met hun maatschappelijke evenpolen). Daarmee verandert ook de pacificatiedemocratie van karakter: in een religieus en dus politiek meerstromenland moet evenzeer gepacificeerd worden. Dat kan alleen worden vermeden in een twééstromenlandschap, maar dat bestaat in ons land niet.

2. Voor onze ‘oude’ zuilenmaatschappij is niets voor in de plaats gekomen, behalve dan het algemene karakter van een geseculariseerde samenleving – en dat betekent in dit kader een fundamentele scheiding van kerk en staat – én bijgevolg het politiek ontworteld electoraat dat makkelijk wendbaar is geworden en dus een steeds meer feitelijk veranderend kiezerspubliek (‘zwevend’ geworden). Het heeft er alle schijn van dat dit transfereren een permanent verschijnsel wordt.

3. In plaats van zuilen is een nieuwe tweedeling ontstaan, waarschijnlijk tussen lager en hoger opgeleide burgers. De uitslag van de #GR2014 duidt op de sterke opkomst van lokale partijen (getrokken door ex-PvdA’ers en andere dissidenten uit andere volkspartijen zoals Van Rey laat zien) en nieuwe, maar inmiddels ervaren en gevestigde partijen als D66 en SP. De eerst genoemde staat voor de hoger opgeleiden, de laatste voor de laagopgeleiden. En datzelfde geldt voor de oude volkspartijen: VVD voor de hoogopgeleiden met conservatieve inslag en de PvdA voor laagopgeleiden, gecombineerd mét hoogopgeleiden (want veel academici), zoals de bedoeling ook was van de klassieke volkspartijen (gemeenschappelijk gedeelde visie voor alle bevolkingslagen). Maar in het PvdA-segment laagopgeleiden zijn veel kiezers vertrokken naar de SP (en PVV).

4. Naast dit algemene beeld is er echter het verschijnsel van gemeenteraadsverkiezingen als een – naast andere zoals Provinciale en Euroverkiezingen – tussentijds ‘meetmoment’, een tussentijdse ‘evaluatie’ tussen de landelijke Kamerverkiezingen door. Daarin was ‘vroeger’ D66 sterk, maar die partij viel traditioneel terug bij Kamerverkiezingen. Maar dat speelde vooral in tijdsomstandigheden die nog enigszins deden denken aan de oude maatschappij en kenmerken van de klassieke pacificatiedemocratie. De oude volkspartijen zijn inmiddels onderhevig geraakt aan betonrot en sleetsheid en dienen zich dus te beraden op hun bestaan: een herstructureringsproces – zoals het CDA heeft ondergaan ten tijde van Paars 1 en 2 – op straffe van een politiek faillissement. Er moet een nieuw aansprekend product worden gemaakt. Niet alleen partij-ideologisch, maar ook wat het kiesstelsel betreft en het partijenbestel. De natuurlijke politieke evolutie gaat namelijk richting directe democratie per internet – zoals er al enkele initiatieven daartoe in de knop aanwezig en in discussiefora actief zijn of nog geboren zullen worden – aangezien de klassieke politieke partijen beschouwd kunnen worden als emancipatie-organisaties uit het verleden, terwijl de bevolking en de burgers voelen zich vandaag de dag voldoende geëmancipeerd en zoeken gemiddeld genomen geen aansluiting meer bij een politieke partij of beweging. Het aantal partijlidmaatschappen varieert ook rond de 2% van het electoraat en dat is bedenkelijk gering. Alleen vanuit bestaande netwerken of familie- en vriendenbanden wordt nog wel besloten tot lidmaatschap van een partij. De trend gaat dus richting personendemocratie, al of niet in partijverband of via alleen internet.

5. Politieke partijen hadden traditioneel een tweedelige taak: ideeënontwikkeling over maatschappelijke inrichting én rekrutering van nieuw politiek talent. Het eerste blijft ver achter wat men zich daarbij mag en moet voorstellen, te weten aanpassen aan beginselen aan nieuwe maatschappelijke omstandigheden. Dit proces blijft niet alleen ‘ver achter’, maar is een geheel verwaarloosd onderdeel van de politieke vorming van de burger, terwijl deze ideeën- en visievorming de essentie van de politiek vormen. Politieke partijen zijn in de praktijk politieke gezelligheidsverenigingen geworden met één strategisch doel, te weten dat hun opgebouwde politieke macht of machtspositie gehandhaafd moet worden en blijven, of zo mogelijk uitgebreid. Het zijn dus machts- en propagandamachines geworden en zorgen daarmee voor publiek en mediaspektakel. Goed voor een bepaalde toeschouwersdoelgroep én de algemene maatschappelijke behoefte aan scherpslijperij en dus ook politieke polarisatie. Maar daarin schuilt ook een grote risico, zichtbaar geworden in een groeiend leger van kiezers dat ‘afhaakt’ door de constante verschijning van haantjes(gevechten) die op de buis blijven verschijnen en daarom niet meer naar de stembus gaat. De gemiddelde kiezer zoekt echt amusement en geen schijn zodat hij de politiek links laat liggen. Daarom zijn dit verschijnselen die te beschouwen zijn als behorend tot het verleden en ooit opgeborgen worden in het museum, want archaïsche tijdverschijnselen.

6. En de politiek komt op deze wijze ook steeds harder in botsing met economen, die onderling ook stevig verdeeld zijn, maar die het liefst een zakelijke economische besluitvorming zien dan alleen kissebissende politici. Maar daarmee komen we weer op de scheidslijn tussen economie en politiek, terwijl die scheidslijn alleen analytisch is maar in de praktijd van alle dag verweven is. En ook veel weg heeft van de scheiding tussen kerk en staat, maar dan is nu de kerk vervangen door het economisch denkconcept en is het neoliberalisme het nieuwe geloof geworden. Wat als economisch-politiek realiteitsbesef wordt beoogd klinkt ook niet op uit iedere mondelinge of schriftelijke economische bijdrage aan het publieke debat, helaas.