Tags

Parlementaire redacteur Laurens Berentsen (FD) lanceerde de interessante stelling dat ‘het verleidelijk is het optreden van Duivesteijn af te doen als een onemanshow van een oude partijcoryfee die zich miskend voelt door een nieuwe generatiepolitici, maar dat zou geen recht doen aan de inhoud van zijn betoog, waarvoor hij met zijn eigenzinnige opstelling in ieder geval even alle aandacht wist op te eisen van leidende partijgenoten en verantwoordelijke ministers’. En in de opvolgende zin: ‘Duivesteijn illustreerde met zijn inbreng in het debat de ideologische kloof tussen de regeringspartijen VVD en PvdA.’ (FD 21 december)

In mijn ingezonden brief ‘Idealen in crisistijd’ – als reactie op het verslag van Berentsen van het debat – heb ik zelf vermoedelijk in zijn ogen de verleiding niet kunnen weerstaan, want op de opvolgende dag schreef hij bovenstaande zinnen. Al dan niet aan mijn adres gericht, luidt mijn antwoord en reactie dat er bij mij geen sprake was van de verleiding niet kunnen weerstaan, aangezien ik zowel via Politiek24 getuige was van het debat, als het stenogram van dat debat heb bestudeerd, als wel de verantwoording van Duivesteijn heb gelezen. Voor mij was er sprake van een onemanshow, maar ik kan het breder trekken omdat ik bezig ben aan een ‘eigen’ onderzoek naar het functioneren van de Eerste Kamer, maar dat terzijde.

Mijn eigen onderzoek heeft als uitgangspunt hoe de kwaliteitscontrole als taakstelling – vanuit het ongeschreven staatsrecht – van de Eerste Kamer gestalte krijgt en/of normatief gestalte zou moeten krijgen. Samengevat: kwaliteitscontrole van wetgeving en dus wetsvoorstellen die in de Eerste Kamer als laatste instantie van de keren aan de orde komen, worden onderverdeeld naar (1) rechtmatigheid, (2) uitvoerbaarheid, (3) handhaafbaarheid, en dit laatste kan worden onderverdeeld in (4) effectiviteit, (5) samenhang en (6) consistentie, maar kijkt (7) ook altijd of er voldoende maatschappelijk draagvlak bestaat voor nieuwe wetgeving.[i] In mijn voorstellingsvermogen van deze begrippen ‘meetbaar maken’ kom ik uit op inbreng per fractie met een standpunt  t.a.v. (1): past het wetsvoorstel in de juridische zorgvuldigheid van de algehele wetgeving: ja of nee. (2) uitvoerbaarheid: zijn deskundigen geraadpleegd voor hun oordeel hierover: ja, welke (anoniem) en wat was hun standpunt? (3) zien die deskundigen problemen in uitvoerbaarheid en zo ja, welke? (4) de norm van effectiviteit is een lastige, maar zowel politiek als maatschappelijk zal onder deze maatstaf worden verstaan de effectieve implementatie in het maatschappelijk verkeer, indien verschenen in het Staatsblad. (5) Samenhang betekent in deze context dat het wetsvoorstel als passend mag worden beschouwd binnen het kader van de gehele wetgeving? (6) uit voorgaande mag ook een zekere consistentie worden afgeleid, maar er bestaat ook nog naast een materiele een intrinsieke consistentie, want de Staten-Generaal dient als enige orgaan de wetten te toetsen aan de grondwet. En tot slot (7): Ik vraag me in gemoede af hoe de senaat dit voor elkaar krijgt, want wie kan ‘voldoende maatschappelijk draagvlak’ meten? Deze senatoren hebben als lid van een bepaalde partij maar overzicht over een klein percentage onder de volwassen bevolking dat lid is van een politieke partij en dat percentage blijft slinken (2%). Dat levert geen statistisch betrouwbare inzichten op.

Al deze elementen zou men verwachten in alle plenaire beraadslagingen in de Eerste Kamer, waarmee het karakter van deze Kamer dan ook sterk zou verschillen van het politieke gekissebis ‘aan de overzijde. Niets van dat alles. De stenogrammen die iedere geïnteresseerde burger kan lezen op genoemde site, laten een even saaie als gebruikelijke formeel-ambtelijke teksten als inbreng zien waardoor de gewone burger afhaakt. Ik heb nog niets origineels aangetroffen in het Verhuurdersheffingdebat, noch in welk ander debat dan ook; en dat terwijl ik een zeer politiek-geïnteresseerde burger ben. Er klopt dus iets niet.

Slotvraag na tweede lezing van het gevoerde debat Verhuurdersheffing: Waarom heeft Duivesteijn zijn kandidatuur voor de Eerste Kamer eigenlijk aanvaard, wetende dat hij niet als raadslid of wethouder kon optreden? Dat aanvaarden is voor mij een raadsel, zo goed als het voor alle Eerste Kamerleden waarschijnlijk voor mij een raadsel zou, als ik individueel alle senatoren zou natrekken. Dat afgezien van de maatschappelijke status van senator en het gezag binnen een bepaalde partij die te ‘verdienen’ valt. Daarvoor bestaan betere opties zou ik zo zeggen.

Kern van het probleem ter afsluiting, zo blijkt uit bestudering van de inbreng van Duivesteijn, is dat de woonvisies van PvdA en VVD niet in elkaar te passen zijn en dat dus geen echte woonvisie van het gehele kabinet van de grond kan komen. Dat is op zichzelf geen probleem, noch schande omdat er dan louter pragmatische en praktische oplossingen kunnen worden gezocht voor bestaande problemen. maar ‘de’ integrale woonvisie van Duivesteijn vergt vermoedelijk te hoge investeringen die in deze barre tijden niet kunnen worden opgebracht, hoe rijk sommige corporaties ook zijn. Maar het geheel aan woonbudgetten is waarschijnlijk te mager en wacht op andere tijden met weer een aanzwellende economie, waar nu alle (semi)publieke dienen te worden ingezet als macro-economische factoren om de economische crisis tot oplossing te brengen.[i] Dat begrijpt het ‘brede publiek’ ook want zolang onzekerheden op de woningmarkt blijven voortbestaan, blijft datzelfde publiek onrustig. De inbreng van Duivesteijn was met andere woorden geënt op financieel-economisch gezonde tijden en niet tijdens een recessie.[ii] Een onmogelijkheid dus voor deze crisistijd. Daaruit ontstond mijns inziens de algehele verwarring: Duivesteijn presenteerde een visie, waarvan de VVD de onhaalbaarheid niet durfde uit te spreken. Daarom beperkt de regering zich ook tot pragmatische maatregelen in afwachting van betere tijden. Daarom is het goed dat de hele PvdA-fractie heeft ingestemd met de liggende wetsvoorstellen.

Subkern van het probleem, zo lees ik uit de ‘verantwoording’ van Duivesteijn, is het gegeven van een zekere spanning binnen de partijleiding en mogelijk binnen de PvdA-Eerste Kamerfractie:

Wat mij persoonlijk betreft had deze onderlinge uitruil tussen liberale en sociaaldemocratische standpunten nooit op deze manier mogen plaatsvinden. De PvdA mag dan een herziening van de hypotheekrenteaftrek hebben gekregen; de prijs die we ervoor hebben betaald – een verdere liberalisering van de woningmarkt – is te hoog en was niet nodig geweest wanneer er werkelijk was gezocht naar een synthese tussen het gedachtegoed van de VVD en PvdA. Die synthese, die hadden we kunnen bereiken met behoud van beider doelstellingen. Maar door de uitruil zien wij dat de wetten van de markt – in alle stukken die door de minister voor Wonen en Rijksdienst zijn geproduceerd, de ‘Hervormingsagenda voor het wonen’ in het bijzonder – (te) dominant zijn geworden in ons woonbeleid. Daarbij wordt bovendien vastgehouden aan de traditionele spelers en rolverdeling; in dit institutionele veld is voor de moderne en op eigen kracht functionerende burger, de participatiesamenleving ten spijt, geen echte plek ingeruimd.’

Naar mijn gevoel ligt hierin de sleutel voor de spanning die in de aanloop tot het debat en het debat zelf heeft ‘geteisterd’: de voorbereiding tot het plenaire debat was nog verre van afgerond binnen de PvdA en heeft ook een ‘slag’ meegekregen door de recente beëdiging en maidenspeech van Duivesteijn, die vermoedelijk gaandeweg zijn stempel is gaan drukken op het woonbeleid binnen de fractie, al was het alleen al logisch vanuit zijn status als expert. Maar ongetwijfeld bestaan er ook binnen de PvdA verschillende en goed doorwrochte standpunten op dit terrein. Duivesteijn bewoog zich dus op glad ijs. Het is dus aan toekomstige historici om uit te zoeken welke agenda’s zich achter de schermen verborgen hielden. Ons land heeft per saldo een politiek spannende nacht beleefd.

Hoe nu verder? We hebben gezien de vele deelakkoorden die inmiddels zijn ontstaan nu een soort nationaal kabinet (terecht opgemerkt door Trouw van deze zaterdag) en dat moet dus ook aanblijven tot de volgende reguliere verkiezingen van 1917. Een breuk in de coalitie betekent weer nieuwe achterstand op de hervormingen die deels door het kabinet worden nagestreefd en deels door EU-verdragsrichtlijnen worden opgelegd, te weten de budgetdiscipline. Klaar! Oponthoud kunnen we ons niet veroorloven.


[i] Zie op de site: http://www.eerstekamer.nl

[i] Zie Duivesteijn: ‘Een van de meest principiële punten vandaag is wat ons betreft het zelfregulerend karakter van ons woonstelsel, zoals dat heet. Als ik al kritiek heb — wat ik mij haast niet kan voorstellen — dan gaat het om dit begrip. Door binnen de gereguleerde sector te komen met zo’n ingrijpende belastingmaatregel als de verhuurderheffing lopen we het risico dat het zelfregulerend beginsel van ons woonstelsel wordt aangetast. De gelden die binnen het wonen beschikbaar komen, zouden namelijk ingezet worden voor het herstel van de woningvoorraad en de steden. Die zouden niet worden afgeroomd ten behoeve van …, zoals letterlijk in het regeerakkoord staat, maar zij zouden worden ingezet voor de woningvoorraad en de steden.’ (…) ‘In het verleden heeft staatssecretaris Heerma dat systeem ontwikkeld. Naar mijn gevoel is dat een geniaal moment geweest. Wat hij heel scherp heeft gezien, is dat er potentieel zo veel verdiencapaciteit in die sector aanwezig is dat de rijksoverheid geen bakken geld hoeft aan te dragen. Met het geld dat in de woningvoorraad aanwezig is, die potentiële verdiencapaciteit — voor een deel door huurbeleid, maar ook door de verkoop van woningen of door efficiency — kun je de steden gezond houden.’ (…) (p.64) De heer Duivesteijn (PvdA): Volgens mij ben ik de laatste die op hetzelfde spoor wil doorgaan. Ik wil juist een fundamentele hervorming van de woningmarkt. Dan is het misschien het beste om een antwoord te geven uit de tekst die ik toch al had gemaakt, want daar komt het op neer. Ik wil juist niet alleen maar met de bestaande actoren aan de slag en dat in commerciële termen verbreden. Ik zou het graag op een andere manier willen vormgeven. Ik vind niet dat wij als Eerste Kamer die taak hebben, maar ik wil vanuit dat perspectief redeneren. Volgens de fractievoorzitter van de Partij van de Arbeid in de Eerste Kamer zijn er oplossingen die beide doelen dienen. Dan hebben we het over zowel de bijdrage aan een tekortreductie van de rijksoverheid als over de instandhouding van een zelfregulerend sociaal woonstelsel. Als we de verhuurderheffing een tweeledige doelstelling zouden geven, waarbij een deel ervan in de sector blijft, blijft er financiering voor bijzondere investeringen in de Nederlandse woningvoorraad.

[ii] Zie inbreng van Kuiper (ChristenUnie): ‘Dan houd ik de heer Duivesteijn het volgende voor. Ook mijn fractie heeft in de loop der jaren gevraagd om een visie. Wij hebben dat in verschillende moties gedaan. Toen kwam dit kabinet en wij hebben het weer gevraagd. Wij hebben een aantal elementen gekregen en wij hebben een woonakkoord gekregen. Ik heb altijd gezegd: laat dit dan het begin zijn van een visie, laten wij vanaf daar gaan werken. Die houding kun je ook innemen. Maar de heer Duivesteijn zegt nu: zo’n woonakkoord met een aantal gedoogpartijen is wel leuk en aardig, maar zo moet het eigenlijk niet. Ik herinner hem eraan dat er een regeerakkoord ligt waaronder zijn partij haar handtekening heeft gezet. Dit kon het in die vorm eigenlijk niet halen en vervolgens is een woonakkoord gesloten dat de kern van het regeerakkoord zichtbaar houdt. Nu zegt de heer Duivesteijn: dat woonakkoord is leuk en aardig en het is leuk dat nog een aantal andere partijen het ook steunen, maar hij doet daarmee naar mijn mening geen recht aan de positie van zijn eigen partij ten opzichte van het regeerakkoord.’

Advertisements