Tags

Uit: Bert van den Braak, De Eerste Kamer. Geschiedenis en betekenis 1815-1995. Sdu Uitgevers, Den Haag 1998, p. 399)

‘De jaren 1849-1888 kunnen worden beschouwd als de jaren waarin de Eerste Kamer dankzij haar geringe betekenis definitief haar bestaan wist te rechtvaardigen. Wij hebben reeds aangegeven dat deze periode volgens ons moeilijk als ‘hoogtij’ voor de Eerste Kamer kan worden beschouwd, ondanks de aanvankelijke vele verwerpingen. Ten eerste betrof het verwerping van relatief ondergeschikte wetsvoorstellen (enkele uitzonderingen daargelaten) en ten tweede vonden de verwerpingen vooral tot 1870 plaats. Stelselmatig verschillend van de Tweede Kamer was de Eerste Kamer noch qua stemgedrag, noch qua samenstelling.’

Deze laatste zin roept de vraag op of in de opvolgende periode na 1888 ook sprake is van dezelfde karakteristiek, dat van stelselmatige verschillen tussen Tweede en Eerste Kamer geen sprake was. Daartoe strekt deze serie van blogs die gebaseerd zijn op het proefschrift van Bert van den Braak over de Eerste Kamer. Wordt dus vervolgd.

Advertisements