Tags

,

Stelling: Uit onderstaand artikel kan worden opgemaakt dat fractievoorzitter Samsom niet gekend is geweest in het lanceren van het begrip participatiesamenleving via de Troonrede van twee maanden geleden. En dat mag wonderlijk worden genoemd en dat los van het feit dat het dualisme tussen regering en coalitiefracties mogelijk een rol heeft gespeeld. Maar stel dat de Troonrede inderdaad een regeringstekst was, zonder een inzage van de kant van beide regeringsfracties, dan had Asscher toch aan de bel moeten trekken en de premier gewaarschuwd hebben dat dit begrip erg gevoelig zou liggen binnen de PvdA. Klaarblijkelijk is dat niet gebeurd. Een reconstructie lijkt in deze kwestie erg moeilijk, omdat in geval dat de PvdA-fractie onkundig is gelaten en de volle verantwoordelijkheid bij de vicepremier komt te liggen. Maar het is niet aannemelijk dat Asscher geen tegengas zou hebben gegeven.

In het eerste deel werd de bedoelde passage uit de Troonrede aangehaald en besproken. In dit tweede deel zal de spreekbeurt van PvdA-fractievoorzitter in de senaat Marleen Barth worden gelezen en becommentarieerd. Conclusie is dat Spekman in het Volkskrantartikel slechts heeft verhaald wat al in de Eerste Kamer is uitgesproken door de PvdA.

 

PvdA neemt afstand van Ruttes participatiesamenleving (Raoul de Pré, Ten eerste/de Volkskrant, 12 november)

‘Partij hecht volgens voorzitter Spekman zeer aan de verzorgingsstaat’

Marleen Barth begint haar passage over de participatiesamenleving (halverwege haar inbreng) aldus:

‘In de Troonrede introduceerde de regering het interessante maar helaas te vluchtig uitgewerkte begrip “participatiesamenleving”. Wij hebben daar met spijt in ons hart misverstanden over zien ontstaan. Laten we als PvdA vandaag daarom maar eens beginnen met het intrappen van een open deur: er kan en zal geen sprake van zijn dat een participatiesamenleving een einde maakt aan de verzorgingsstaat. Volgend jaar besteedt de overheid ruim de helft van al haar uitgaven aan twee doelen: zorg en sociale zekerheid. Die uitgaven zullen de komende jaren alleen maar verder stijgen. Juist deze crisis laat zien hoe groot de waarde van de verzorgingsstaat is: bij moeilijke omstandigheden willen wij zorgen voor elkaar. De verzorgingsstaat is de diepste erkenning van het simpele feit dat met al onze kennis en technologische verworvenheden één ding nog steeds onveranderd is: narigheid van mensen wordt meestal veroorzaakt door botte pech en succes is maar al te vaak een kwestie van geluk. Wij moderne, Westerse mensen denken graag dat we ons lot zelf in handen hebben, maar ook hier zijn de marges vaak zo klein. Pech, ziekte, verlies, verdriet; we maken het allemaal mee. De verzorgingsstaat is deels welbegrepen eigenbelang: samen verzekeren we elkaar en onszelf tegen het lot dat iedereen een keer treft. Maar we hebben ook voorzieningen geschapen voor mensen die langdurig niet of nooit voor zichzelf kunnen zorgen. Beide elementen hebben onze samenleving veerkrachtiger gemaakt: we zijn met zijn allen veel beter in staat om tegenslagen op te vangen. Dat is van blijvende waarde.’[i]

 

Uit deze eerste alinea blijkt dat de PvdA een andere opvatting heeft dan de regering en dat er in de ogen van de fractie geen sprake kan zijn van het verdwijnen van de verzorgingsstaat. Dat sluit dus aan bij de analyse van deel 1 dat de verzorgingsstaatarrangementen zijn opgenomen in de grondwet en dat deze nooit kunnen verdwijnen. Niet alleen technisch vanwege de zware procedure van een grondwetswijziging, maar ook principieel omdat de betrokken sociale grondrechten ook Europees in het EVRM zijn vastgelegd. Kort samengevat betekent de verzorgingsstaat het geheel aan sociale zekerheidswetgeving, alsmede de sociale grondrechten als volkshuisvesting, gezondheidszorg en het hele onderwijsbestel. De participatiesamenleving of –maatschappij betekent het door iedereen, ongeacht gezondheidsklachten en chronische handicaps kunnen deelnemen aan alle maatschappelijke activiteiten en dat betekent in concreto dat de overheid verantwoordelijk is voor de randvoorwaarden die het de gehandicapten mogelijk maken om deel te nemen aan die activiteiten door onder meer gebouwen voldoende toegankelijk maken voor deze doelgroep, zoals rolstoelgebruikers. De overheid blijft verantwoordelijk omdat er geen bouwrichtlijnen bestaan die nieuwbouw automatisch toegankelijk laten zijn voor deze aanpassingen voor rolstoelgebruikers.

Wat door Barth verder niet aan de orde wordt gesteld, en ook niet in het vervolg van deze inbreng, is een consequentie van de volgende zin:

‘Die uitgaven zullen de komende jaren alleen maar verder stijgen.’

Deze ontwikkeling die normaal gesproken inderdaad aan de orde zou zijn, kan echter niet plaatsvinden vanwege de extra druk op de rijksuitgaven, namelijk vanuit de semipublieke sector, want die zijn hier aan de orde. Ze zullen het begrotingstekort alleen maar opdrijven en dat is verboden vanwege de begrotingsdiscipline. Er zal dus onder alle denkbare omstandigheden bezuinigd moeten worden vanwege de huidige tendensen of automatismen van structurele groei. Deze tendens wordt dus door de begrotingsdiscipline geblokkeerd. Hoe de politiek dat wil aanpakken blijft vooralsnog een raadsel, aangezien het noodzakelijke begrotingsevenwicht aan het einde van dit decennium anders niet gehaald wordt.

De bovenstaande alinea is een eerste passage over de participatiesamenleving, want onderbroken door een interruptie van de D66-fractie:

‘De heer Van Boxtel (D66): Mevrouw Barth zet de participatiesamenleving naast de verzorgingsstaat en zegt dat zij de een niet wil inruilen voor de ander. Zij kan toch echter niet ontkennen dat het begrip “verzorgingsstaat” in de afgelopen 30 jaar echt is gaan staan voor “het doet er niet toe wat er met u aan de hand is, de overheid zorgt wel voor u”? Er is toch echt een kentering nodig, niet om mensen die echt hulp nodig hebben in de kou te laten staan, maar om andere mensen meer dan in het verleden te activeren? Als zij zegt dat ze het begrip “verzorgingsstaat” niet weg wil doen, waarom noemt zij het dan niet gewoon “waarborgsamenleving”? Dat doelt er dan op dat we zorgen voor degenen die het echt moeilijk hebben maar dat we niet langer de luie leunstoel van de verzorgingsstaat hebben waarbij iedereen dacht dat de overheid alles voor iedereen zou oplossen.’

Merkwaardigerwijs blijkt Boxtel niet op de hoogte te zijn van de officiële verzorgingsstaatdefinities, want anders had hij de formulering ‘begrip “verzorgingsstaat” in de afgelopen 30 jaar echt is gaan staan voor “het doet er niet toe wat er met u aan de hand is, de overheid zorgt wel voor u’. Dat is de bureaucratische praktijk van alle dag geworden, maar nooit de bedoeling geweest van het netwerkstelsel van de sociale zekerheid. De kentering die er volgens Boxtel was, is een misvatting, maar die kentering gaat er nu zeker wel komen en niet uit eigen initiatief, maar conform de richtlijnen van de Europese Commissie. En dat Boxtel ook nog het begrip waarborgsamenleving noemt, betekent dat hij het neoliberale jargon van de VVD heeft overgenomen. Jammer dat de liberalen in  ons land deze klassiek-liberale variant hebben overgenomen. Overigens komt Barth met het volgende antwoord aan Boxtel:

‘Mevrouw Barth (PvdA): De heer Van Boxtel is net iets te vroeg. Als hij de rest van mijn betoog hoort, denk ik dat hij zich minder zorgen zal maken. Als dat niet zo mocht zijn, zie ik hem graag aan de interruptiemicrofoon terug zodat ik een en ander kan toelichten. Voorzitter. Tegelijkertijd, namelijk, zien we onmiskenbaar dat de verzorgingsstaat de veerkracht van mensen en de samenleving ook juist kleiner dreigt te maken. Als de verzorgingsstaat niet goed werkt, maakt ze mensen passief. Dat geldt voor mensen die er een beroep op doen; lang niet elke cliënt wordt ondersteund om te komen tot een zo normaal mogelijk vervuld leven als vrij burger, met ziekte of handicap en al. Maar ook mensen die betalen voor de verzorgingsstaat geven nu hun solidariteit vooral passief vorm, met de verplichte premieafdracht op de loonstrook. Dat kan de bedoeling niet zijn. Om solidariteit levend te houden, is meer nodig. Als de participatiesamenleving die het kabinet voor ogen staat er een is waarin iedereen de kans krijgt om mee te doen en om erbij te horen, waarin zorgen voor elkaar vaker letterlijk precies dat is: zorgen voor elkaar, waarin mensen met pech niet alleen vis krijgen, maar ook een hengel, waarin het doel is een samenleving te hebben van vrije mensen die zo veel mogelijk ruimte krijgen om hun leven naar hun dromen in te vullen ook als dat op eigen kracht (even) niet lukt, dan kan onze fractie prima meegaan met de idee van de participatiesamenleving. Nogmaals, die gaat heel goed samen en hoort samen te gaan met de verzorgingsstaat, want de overheid blijft steunen en herverdelen. Is de minister-president dit met ons eens?’

(Wordt vervolgd)


[i] Handelingen Eerste Kamer 29 oktober 2013, p. 26 e.v., [VOLLEDIG ONGECORRIGEERD STENOGRAM EERSTE KAMER, niet voor citaten en niet voor correcties. Aan deze tekst kan geen enkel recht ontleend worden]

Advertisements