Tags

,

Deel 2: In het verlengde van deel 1 dat gisteren deze serie opende, zal deze tweede blog weer uit twee gedeelten bestaan. In het eerste gedeelte zal een ander Trouw-artikel van de politieke redactie aan bod komen omdat de fractievoorzitter Hermans (VVD) zijn waarschuwing aan de senaat stevig heeft ingezet, maar in het artikel van gisteren kwam dat niet voldoende uit de verf. Kort en bondig geformuleerd vraagt de liberaal zich af of de Eerste Kamer nog bestaansrecht heeft in het huidige tweekamerstelsel. In het tweede gedeelte wordt de rest van de concluderende paragraaf van hoofdstuk 7 uit het proefschrift van De Vries overgenomen.

 

Iedereen vindt wat van Eerste Kamer, behalve senaat zelf (redactie politiek, redactie politiek, http://www.trouw.nl/tr/nl/5009/Archief/archief/article/detail/3535591/2013/10/30/Iedereen-vindt-wat-van-Eerste-Kamer-behalve-senaat-zelf.dhtml, 30/10/13)

Loek Hermans (VVD): Deeltijdpolitici moeten zich bezinnen op hun rol

‘De VVD in de Eerste Kamer vindt het ‘de hoogste tijd’ dat de senaat zich bezint op haar eigen rol in het politieke bestel. Loek Hermans, leider van de VVD in de Eerste Kamer, spoorde zijn collega’s gisteren bij het debat met het kabinet over Troonrede en Miljoenennota aan zich te mengen in de discussie over de senaat. Werkelijk iedereen heeft zich er tegenaan bemoeid, constateerde Hermans met lichte ergernis, behalve de Eerste Kamer zelf. “Er staat hier een olifant en wij zeggen dat die er niet is. Dat is gek.” De discussie is volgens de leider van de grootste fractie urgent, nu dit kabinet van VVD en PvdA geen meerderheid heeft in de Eerste Kamer.

‘Door in de Tweede Kamer het herfstakkoord te sluiten met oppositiepartijen D66, ChristenUnie en SGP heeft het kabinet zich weliswaar verzekerd van steun voor de begroting voor het volgend jaar en voor het belastingplan. Maar Hermans verwacht dat het wel vaker voor gaat komen dat een kabinet niet in beide Kamers voldoende draagvlak heeft. De ChristenUnie zei met zoveel woorden zo’n debat niet nodig te vinden, de andere partijen willen het wel, maar zien de noodzaak minder dan Hermans.’

Het is opvallend dat Hermans dit ‘radicale’ standpunt inneemt aangezien de VVD als partij in meerderheid conservatief is en via het erelid Wiegel een hartstochtelijk pleitbezorger bezit van dit deftige orgaan, dat staatsrechtelijke tradities respecteert. Hermans daarentegen ziet zich genoodzaakt de regie van het publieke debat meer in eigen handen te (gaan) nemen omdat dit ‘grijze muizengezelschap’ anders in de afgrond van het slechte imago dreigt te verdwijnen:

‘Maar het gaat om hun voortbestaan, betoogde Hermans. De senaat maakt zich in zijn ogen overbodig als ze alleen maar met politieke ogen naar kabinetsvoorstellen kijkt. “Als een wet juridisch deugt, kunnen we niet met goed fatsoen tegenstemmen. Dan doen we in feite onszelf tekort”, zei Hermans. Andersom gaat trouwens SGP-senator Gerrit Holdijk voor het belastingplan stemmen, hoewel hij het hoogstens iets minder slecht vindt dan het was. Maar hij voelt zich nu gebonden aan het herfstakkoord.’

Hermans heeft gelijk dat de senaat zich overbodig dreigt te maken omdat de huidige politisering een trend bevestigt die al decennia speelt in de Eerste Kamer, zoals uit de voortgaande bespreking van De Vries zal blijken. Maar zeker ook de opmerkingen van senator Holdijk geeft te denken, want de door hem gemaakte opmerkingen raken kant noch wal. Dat aspect van ‘redeneringen’ of ‘logica’ in de Eerste Kamer is nog nooit aan de orde geweest via een analytisch vergelijkende analyse van de Eerste en Tweede Kamerhandelingen.

‘Het kabinet heeft in de Tweede Kamer een notitie toegezegd over de verhouding tussen de beide Kamers. In de discussie passeren tal van oplossingen de revue, ook het veranderen van het kiesstelsel. Tot 1983 kozen de Provinciale Staten om de drie jaar de helft van de Eerste Kamer. Sindsdien wordt de senaat elke vier jaar in haar geheel vervangen. Hermans wilde zich niet uitspreken voor terugkeer naar het oude systeem, maar hij zei wel dat dat de aanvechtingen van de Eerste Kamer kan verminderen om op de stoel van de Tweede Kamer te gaan zitten.’

Deze beschouwing afrondend kan worden geconcludeerd dat niet alleen de oude tijden van ‘standaard’ gelijke samenstelling van Tweede en Eerste Kamer een zeldzaamheid zal worden vanwege het verdwijnen van de pacificatiepolitiek (met verwijzing naar politicoloog Arend Lijphart) en de zuilenmaatschappij (alleen media- en onderwijswereld herinneren nog aan afzonderlijke zuilen binnen de traditionele Nederlandse denominaties). Dit argument heeft overigens niets te maken met het tweekamerstelsel, maar tegelijkertijd heeft datzelfde stelsel in ons land een onlogische en twijfelachtige achtergrond, waardoor het bestaansrecht gezien de oorspronkelijke hand van koning Willem II (achter de schermen) en zijn doelstelling van ‘bolwerk rond de troon’ en ‘waken voor de waan van de dag’.

Kortom, de beraadslagingen moeten een duidelijk ander karakter dragen dan die van de overzijde in de Tweede Kamer, maar daarvan is niets zichtbaar in de Handelingen. De vraag is of hiernaar ooit een kritisch wetenschappelijk onderzoek is gedaan.

VERVOLG VAN MR DE VRIES EN DE STAATSRECHTELIJKE POSITIE VAN DE EERSTE KAMER

‘De wetgevende rol van de Kamer is de afgelopen jaren onder druk komen te staan. Het politieke belang van het regeerakkoord en daaruit voortvloeiende (bezuinigings-) wetgeving, gaven de Kamer de laatste jaren snel de indruk dat haar oordeel niet telt [eigen benadrukking, jw]. Een reeks van kleinere en grotere aanvaringen met de regering was hiervan het gevolg.’

De laatste zin is natuurlijk een interessante waarneming: hoe komt het dat de senatoren de indruk hebben dat hun oordeel niet telt? Overbodigheid misschien vanwege dubbel werk? Deze vraag kan alleen definitief beantwoord worden als een tekstvergelijking van een (willekeurige) beraadslaging over een thema X aantoont dat de senatoren geen nieuwe aspecten hebben aangeroerd die in de Tweede niet aan de orde zijn geweest. Ook de norm van ‘kwaliteitsbewaking’ zou geëxpliciteerd moeten zijn, maar is dat in de realiteit van de dag ook het geval. Zijn er sporen hoorbaar in de voorgelezen teksten van senaatsfracties waaruit blijkt dat deze uitdrukkelijk de kwaliteit van wetsvoorstellen onder de loep nemen, of worden er de facto alleen politieke uitspraken gedaan?

‘De Kamer zelf heeft het met de van regeringswege uitgeoefende politieke pressie lang niet altijd even gemakkelijk. Wordt van regeringswege de druk weer eens flink opgevoerd, dan lijkt er onmiddellijk alle aanleiding de eigen staatsrechtelijke positie aan de orde te stellen. Het recente parlementaire verleden laat tal van gelegenheden zien waarop de Kamer in dergelijke gevallen haar ongenoegen kenbaar maakt. Soms wordt daarbij gebruik gemaakt van vaste momenten op de parlementaire agenda, zoals de algemene politieke en/of financiële beschouwingen. In andere gevallen grijpt de Kamer naar bijzondere instrumenten als de interpellatie of de parlementaire motie. Zowel de interpellatie-Vis/De Gaay Fortman als de beide interpellaties-Schuurman en de interpellatie-De Boer, beoogden uiteindelijk helderheid te verschaffen over de (wetgevende) positie van de Eerste Kamer.

‘De genoemde voorbeelden geven wel aan dat de Kamer op gezette tijden zelf de behoefte voelt om de nadelen die verbonden zijn aan de bestaande staatsrechtelijke constellatie enerzijds en de politieke cultuur anderzijds naar voren te brengen. Meer dan een wat geformaliseerde manier van ‘stoom afblazen’ is dat echter niet.

‘De vraag is of er thans aanleiding is de rol van de Eerste Kamer zelf te heroverwegen. Dient het bestaande constitutionele bestel, waarin de Kamer van heroverweging tot rigide keuzen wordt gedwongen, te blijven bestaan, of zijn er andere mogelijkheden om op een staatsrechtelijk zinvolle wijze invulling te geven aan de heroverwegende taak van de Eerste Kamer in het Nederlandse parlementaire bestel? Of valt de conclusie te trekken dat het tweekamerstelsel hoe dan ook aanleiding blijft tot problemen? In de afrondende beschouwing van dit onderzoek komen deze vragen aan de orde. Eerst wordt in het nu volgende hoofdstuk wat specifieker gekeken naar de rol van de Eerste Kamer als begrotingswetgever.’

Hiermee eindigt de woordelijk overgenomen tekst van §5 Conclusies van hoofdstuk 7. In het volgende deel komen het slothoofdstuk 10 en de aparte samenvatting van De Vries aan de orde. Wordt dus vervolgd.

Advertisements