Tags

Je bent krantengek of krantverslaafd. Je hele leven al geweest en je hebt veel bewaard. De achterliggende jaren waren nogal chaotisch door een hectisch leven waarin je eerder te veel deed dan te weinig. Maar op een zeker moment komt er dan toch een verhuizing die op je afkomt en de noodzaak van opruiming van dat krantenmateriaal. Want je laat alleen het minimaal noodzakelijke meeverhuizen want ooit als de leeftijd van het verzorgingstehuis is aangebroken, moet alles letterlijk naar de oud-papierbak worden gebracht. Wat er uit het opnieuw zien van ‘destijds’ ongelezen kranten aan ‘geheimenissen’ brengt, laat deze serie zien. Deze eerste blog betreft een aantal kranten van vorig jaar en via het diagonaal doorbladeren van deze artikelen blijkt nog veel opvallend bruikbaar materiaal voor eigentijdse analyse, nieuwe overdenkingen en filosofische verscherping van de geest.

Hieronder volgt een verzameling ‘krantenkoppen’ die mij op suggesties van het eigentijdse tijdsbeeld brengen en de veranderingen daarin, die ik nader ga uitwerken; om mijn eigen wereldbeeld te controleren. En in die toetsing hoop ik voldoende overtuigend over te komen om lezers mee te nemen in mijn tijdsreis. Mocht ik tot een interessant overzicht van wijzingen in het tijdsbeeld kunnen komen die zich klaarblijkelijk sluipenderwijs hebben voorgedaan, dan kan ik publicatie van deze blogs overwegen.

  1. Op een Volkskrant-publicatiepagina van 8 december 2012 staat het boek Niet te moeilijk graag onder redactie van Abram de Swaan en anderen, met als subtitel ‘De verkleutering van het publieke debat’. Omdat mijn gevoel mij ingeeft dat deze onvrede onder een grote meerderheid van onze bevolking leeft, citeer ik de beschrijving ervan met instemming: ‘In het ooit zo nuchtere Nederland viert de infantilisering hoogtij, oordeelt menig waarnemer. Het maatschappelijk debat wordt beheerst door soundbites en oneliners. In Niet te moeilijk graag buigen vooraanstaande Nederlandse publicisten zich hierover. Lijdt Nederland aan acute verkleutering?’ Welnu, zonder een letter van dit boek gelezen te hebben, kan ik wel mijn eigen indruk voorleggen en daarmee de vraag beantwoorden. ‘Acute verkleutering’ is een herkenbare gevoelsomschrijving – zeker vanuit een intellectuele bril bezien – aangezien de Nederlandse televisie alleen nog wat te beiden heeft voor de behoeften van een op massaconsumptie gefocuste toeschouwer die er een levenspatroon van heeft gemaakt om de hele avond achter het scherm te zitten. Daarmee is de Nederlandse beeldaanbod geheel geënt op massaconsumptie en is er geen sprake van BBC-kwaliteit. En ik beken zelf dat ik de aflopen tien jaar geen tv-programma meer heb gezien en het televisietoestel uit huis heb gezet. Nieuws haal ik uit kranten en de radio. Alleen de uitzendingen op tv die vanuit inhoudelijk thematiek het meest interessant blijkt te zijn geweest – meestal aan mij kenbaar gemaakt via Twitter – en die de publieke opinie gaan bepalen worden door mij gevolgd via Uitzending gemist, digitaal dus en op mijn eigen moment te bekijken. Mijn conclusie vanuit eigen beleving is dat ‘verkleutering’ en ook het adjectief ‘acute’ ervoor zeker een geschikt onderzoeksthema kunnen vormen voor een vakgroep Media en mediacommunicatie (in het kader van de huidige bezuinigingen). En als zo’n onderzoeksgroep het genoemde boek als uitgangspunt voor hun onderzoek zou nemen omdat de beschrijving ervan een stevige kritiek suggereert op het huidige mediabeleid (zowel door de mediawereld van Hilversum zelf als door de politiek) lijken alle ingrediënten aanwezig om dit onderzoek in te stellen. En vanuit cultuurhistorisch oogpunt – niet dat ik cultuurhistoricus ben – is het thema van ‘verkleutering’ helemaal interessant omdat dit beeld volstrekt in tegenstrijd is met alle idealen vanuit de Verlichting die onze westerse maatschappij nu eenmaal kenmerken. Dus ook voor vakgroepen filosofie is dit boek aan aanleiding tot onderzoek of een seminar. Als er tenminste ook maar gepubliceerd wordt, wat niet gebruikelijk is.
  2. Op dezelfde bladzijde in de Volkskrant staat ook het boek Met haar had hij wel seks door Corine Koole. Met de volgende beschrijving: ‘Met haar had hij wel seks is een prachtig boek waarin Corine Koole laat zien dat Nederland zindert [sic!] van hartstocht en vol zit met affaires en vurige liefde [welke samenleving niet?]. De verhalen zijn scherp en zeldzaam openhartig [want anoniem], ze bieden herkenning, brengen je op andere gedachten en geven je misschien zelfs troost.’ Deze omschrijving roept direct associaties op met de recente Kamervraag van de SGP-fractie via SGP-jongeren – zo lees ik op Google – aan de staatssecretaris van Media inzake mediareclame van Second Love, waarin de vraag wordt gesteld of deze reclame geen poging is tot huwelijksondermijning. Uitkomst is dat ‘Second Love blij is dat de Reclame Code Commissie (RCC) ook in tweede instantie de reclames van S.L. [verder: SL] niet afkeurt’. Daarmee wordt het standpunt van SL, te weten dat [a] Vreemdgaan geen enkel probleem is, [b] SL ook geen lafheid kan worden verweten. [c] Vreemdgaan is je eigen pakkie-an, [d] SL dwingt niemand tot vreemdgaan, (juridisch) goedgekeurd. Mijn vrijzinnige standpunt moge duidelijk zijn. De ‘eeuwige’ – tot de dood het huwelijk opbreekt – huwelijksbelofte die vanuit de kerkelijke instituten wordt uitgesproken en vooral uitgedragen en door het bruiloftspaar plechtig wordt beloofd met een ‘ja’, voldoet niet meer aan de – vooral economische – eisen die aan de moderne mens worden gesteld. Het leven is zeker in de twintigste eeuw veel te complex geworden om het huwelijk een goede en stabiele leidraad te laten zijn voor een langdurig huwelijksgeluk. Relaties betekenen veeleer – in tegenstelling tot de klassieke verzuilde samenleving tot aan de standenmaatschappij waarin de sociale druk scheiding nagenoeg onmogelijk maakte – een constant gemeenschappelijk groeiproces, dan een garantie voor automatische stabiliteit en harmonie. Dit laatste geldt alleen in sprookjes, maar niet in de ruige of weerbarstige werkelijkheid van de laatkapitalistische samenleving van vandaag. Niet voor niet is de relatietherapeut of de mediator op de relatiemarkt in opkomst. De vraag van de SGP-jongeren is dus maatschappelijk achterhaald – de scheidingsgraad van 1 op 3 kan niet meer ongedaan worden gemaakt – maar daarmee zijn deze jongeren eerlijker dan de – in deze geestelijke context – grote broer van de katholieke wereld waarin vreemdgaan schering en inslag is. Mijn conclusie is dat het begrip huwelijk een lege huls is geworden en dus achterhaald, en dat het begrip ‘samenlevingscontract’ kan als een juiste vervanger worden beschouwd omdat dit laatste een dynamisch werken aan een zich ontwikkelend samenzijn betekent en dat vergt onderhoud; klein en groot onderhoud. De mens lijkt wat dat betreft op een auto, die periodiek keuringen moet ondergaan. De motor van een auto is immers even ingewikkeld op technisch gebied als een mens een ingewikkeld geestelijk wezen is.
  3. Uit dezelfde krant een andere recensie: Kinderwens door Sara Coster. Dit is een egoducument met de subtitel ‘De wens en de vaders – dagboek van een vrouw die haar kinderwens op geheel eigen wijze vervult’. Aleid Truijens schrijft dat Sara een lange gang naar het moederschap goed, eerlijk en geestig beschrijft, met oog voor komische en treurige details. Zoals het ‘minipoppetje’ dat in een plas bloed in de wc ligt. ‘Sara bewaart het in een lege pindakaaspot, dezelfde pot waarin eerder het warme spul ging waarmee het poppetje werd verwekt. Raar, uiteindelijk leidde al het gedoe tot groot geluk: twee gezonde zonen (na haar veertigste), twee supervaders.’ Twee supervaders? Ja, want dan blijkt uit de ontstaansgeschiedenis: ‘Dan krijgt ze een gouden idee: co-ouder worden met een homo. Op zo’n man word je niet verliefd, en hij heeft dezelfde wens. Geestig beschrijft Coster de zoektocht naar de ideale homovader: een soort (internet)daten, net zo gênant. Alle kandidaten vallen af. Totdat ze Simon en Luca ontmoet, een Nederlands-Italiaans homostel. Het klikt. Maar voordat Sara op haar 40ste bevalt van Lorenzo heeft ze drie miskramen en een stollingsziekte achter de rug.’ Waarom neem ik deze recensie mee in deze serie tijdsbeelden? Omdat met de huidige bezuiningsnoodzaak – voor mij niet alleen vanuit de EU bepaald, maar ook vanuit de mondialisering van de wereldeconomie – ook alle medische handelingen herijkt moeten worden, zoals ook álle (semi)overheidsuitgaven herijkt moeten worden. Daarover is op deze website al veel meer geschreven. Deze herijking zal uiteindelijk gaan over de fundamentele vraag of er sprake is van een medisch noodzakelijke en ‘onomstreden’ ingreep of om het tegendeel daarvan. Maar wat is het ‘tegendeel’ eigenlijk precies? Kort en bondig kan het antwoord vanuit de algemene logica – medische logica hoeft hiermee niet in overeenstemming te zijn – gesproken worden van levensreddende en -helpende verrichtingen. Vanuit deze tweedeling kan de kindwens van Sara niet als levensreddend worden omschreven want het gaat om een ‘wens’, hoe psychologisch begrijpelijk die wensgedachte ook is. Maar dat betekent alleen dat deze handelingen, al dan niet leidend tot een succesvol of bevredigend resultaat – niet vanuit het primaire zorgbudget kunnen worden bekostigd. Complexe kinderwensen vallen daarbuiten maar kunnen wel beschouwd worden als medische behandelingen die de medische wetenschap als zodanig ‘verder tot ontwikkeling brengen’.  Met andere woorden, waar de huidige politieke constellatie innovatie als speerpunt heeft benoemd, valt medische innovatie daar zeker ook onder. Er zou dus een algemeen innovatiebudget moeten worden opgericht om deze kosten te kunnen dekken. Daarbij is dan ‘interessant’, dan wel ‘noodzakelijk’ of in armere werelddelen als Afrika/Zuid-Amerika, dan wel in ‘opkomende’ continenten als Zuidoost-Azië wel semipublieke oplossingen bestaan of niet. Eigenlijk is met zekerheid te zeggen dat er in deze gebieden geen ‘Obama-care’ bestaat omdat deze verzekeringszaken buiten de EU particulier zijn geregeld en dus alleen rijken toegang hebben tot deze ‘bijzondere ingrepen’. Dit is mijns inziens ook het kernbeginsel van de huidige begrotings- en schuldenproblematiek binnen de EU. Vanwege de Europese verzorgingsstaten die in de rest van de wereld niet bestaan, kent de EU nu de euro- en schuldencrisis, hoewel de VS momenteel voor de tweede keer een heel ander soort schuldencrisis heeft leren kennen in de vorm van politieke besluiteloosheid binnen hun Congres. En zo valt er wereldwijd een democratiecrisis te ontwaren omdat de politici het wezen van de democratie niet meer blijken te begrijpen. Maar dat terzijde. Belangrijk is de praktijk van alle dag te kennen – lees: moet worden gekend – omdat de mondialisering wél leidt tot convergentie van economische grootmachten of -machtsblokken. Dit mogelijke kennistekort over de bestaande medische praktijken buiten de EU/VS (alsmede Canada en Australië) enerzijds, maar wel binnen de G20 als geheel anderzijds is, en kan dus essentieel zijn om tot aanvaardbare medische praktijken en zorgkosten te komen. Alleen in dit algemene kader kunnen dus volgens mij pasklare maatoplossingen worden bevinden voor de Europese begrotingsproblematiek en schuldenvraagstuk. Het zou dus passend zijn als alle begrotingsstukken en bezuinigingsmaatregelen van de regering vergezeld gaan van – vergelijkbare – praktijken buitenlands. Dat werkt niet alleen verhelderend, maar werkt ook een convergerend wereldbeeld in de hand zonder dat alles in deze wereld een eenheidsworst wordt.
  4. Het volgende thema is weer een recensie, maar nu van Stephan Sanders in dezelfde editie van genoemde krant en ditmaal gaat over het een intrigerend boek van Christien Brinkgreve, Het verlangen naar gezag – Over vrijheid, gelijkheid en verlies aan houvast. Sociologe Brinkgreve schrijft in de traditie van Norbert Elias, Joop Goudsblom en Abram de Swaan over het gezag, met ‘het persoonlijke’ als een gelegitimeerd onderzoeksveld. ‘Het vervangen naar gezag laat zich nog het beste samenvatten aan de hand van deze twee zinnen: ‘Wie ben jij dat je iets over me te zeggen hebt’ en vaak in een dezelfde adem: ‘Zeg me wat ik moet doen’. Het onderwerp is hier de drang naar vrijheid en autonomie, zo beleden in de jaren zestig, zeventig en tachtig van de vorige eeuw, en de roep om grenzen en structuur, die de laatste jaren zo duidelijk klinkt. Brinkgreve gaat na wat de basis kan zijn van dat nieuwe gezag, ‘dat altijd verdiend moet worden, want het is legitiem erkende macht, te onderscheiden van naakte macht’. Ze kijkt naar de primaire organisatiestructuur, waar bijna iedereen mee te maken krijgt, het gezin, maar ook naar situaties op het werk en op school. En net als ik als lezer denk: nu word je te psychologisch haalt ze de oude grootmeester Erving Goffman aan, die al stelde dat sociologie niet gaat over ‘men and their situations’, maar over ‘situations and their men’. Uiteindelijk, en dat is het knappe van Brinkgreves betoog, wint altijd de blik op het grotere geheel het van de persoonlijke of individuele casus, aldus Sanders. Daar kan ik me in vinden, al moet gezegd worden dat dit niet wordt toegelicht en dat is jammer aangezien dit motto alleen begrepen kan worden door voorbeelden te noemen. Dan nu de kern van Brinkgreves nieuwe theorie. Dat ‘nieuwe’ gezag, hoe ziet dat eruit of voorzichtiger: hoe zou het eruit kunnen zien? Niet meer autoritair, want precies de generatie van Brinkgreve heeft er alles aan gedaan het te ondermijnen. Maar ook niet anti-autoritair, want ook daar zijn inmiddels wat minder verheffende ervaringen mee opgedaan. Zelf spreekt de sociologe over het ideaal van ‘een autoritatieve opvoeding’, waarbij via uitleg en overleg wel degelijk regels worden gesteld. Hier wordt geprobeerd de missing link te vinden tussen de bevelshuishoudingen en de onderhandelingshuishoudens: want uitleg is mooi, discussie noodzakelijk, maar ouders moeten ook structuur bieden en ‘geen meegevend kussen’ zijn. Ik kan dit idee volgen, maar ‘autoritatief’ klinkt verdacht veel op het ouderwetse ‘autoritair’ en dus kan dat nieuwe gezag wat mij betreft beter ‘inlevende of didactische opvoeding’ genoemd worden. Waarom? Inlevend uitleggen wat de normen en waarden binnen het gezin – en ‘vaak ook binnen de maatschappij’ – zijn, betekent ook dat goed uitgelegd wordt waarom die regels vanuit de gegeven normen en waarden belangrijk zijn. Als er didactisch goed wordt geopereerd, dus geen snelle of dwingende uitleg, maar ook steeds vragen of de kinderen het begrijpen en je kunnen volgen, dan ontstaat een betere voedingsbodem voor het juiste begrip voor de uitgelegde regel. Een kind kan in deze tijden meer opnemen en bevatten dan in de vorige generatie. Deze ontwikkeling loopt parallel aan de meer (zelf)bewuste werknemers binnen het bedrijfsleven in algemene zin (dus binnen de arbeidzame sector, dus alle werkenden bij elkaar). Daar worden autoritaire bevelsstructuren ook niet meer geaccepteerd en dit algemene maatschappelijke verschijnsel speelt door in alle geledingen van de maatschappij, óók op microniveau en dus de gezinnen en op scholen. Hoewel scholen voor leraren ook de arbeidssector vertegenwoordigen, terwijl de leerling in beginsel de afnemer van kennis, dus consument is. Maar hier speelt het dwingende karakter van de leerplichtwet een rol, die maakt dat de leerling geen vrijblijvend participant is. Ook Sanders heeft aan aantal kanttekeningen bij verschillende werksectoren, zoals de politiesector, waar sprake is van een strakke hiërarchische organisatiestructuur, zoals ook bij de brandweer en de krijgsmacht. Maar hier vergist Sanders zich. In een operationele situatie zijn de werk- en handelingsprocedures bij deze organisaties als de politie vanzelfsprekend bepalend, zonder dat er sprake kan zijn van overlegstructuren en debat. Dat kan vanzelfsprekend niet, want dat werkt simpelweg niet. Maar deze situatie die bepaalt dat de ‘mannen en manschappen’ op scherp staan, laat onverlet dat tijdens de veelvoorkomende oefensituaties volop gelachen kan worden en dat overleg en discussie zelfs noodzakelijk zijn omdat alle handelingsprocedures verbeterdeen constante verbeterslag – kunnen worden, en die kunnen alleen tijdens oefeningen worden ontdekt, dan wel bij de nabespreking in de echte crisissituatie. Dat geldt ook voor een – willekeurig voorbeeld – advocatenkantoor, die zelf een spitsuur van optredens voor de rechter meemaakt. Dan staat iedereen op scherp en moet een topprestatie worden geleverd. Conclusie is daarom dat Brinkgreve een zeer actueel thema heeft herbelicht – over gezag bestaan al volle bibliotheken – en van een nieuw perspectief moet worden voorzien, maar zij heeft een nuttig ontwikkelingsdynamiek geschetst, waarop kan worden voortgeborduurd. In mijn eigen woorden zal een komend debat zich concentreren op 1. De mens kan niet zonder gezag, maar de gezagsvorm is afhankelijk van tijd en plaats. 2. Alleen een organisatie met gelijkelijk hoogopgeleid personeel en passie voor het bedrijf kan met een minimale organisatiestructuur af, aangezien iedereen weet wat er te doen staat. Voorafgaand aan uitoefening van gezag gaat de overdracht van en discussie én overleg over de gewenste vorm van gezag, want alleen dan is gezag gelegitimeerd. 3. Gezien deze voorwaarden kan het door Brinkgreve gelanceerde idee van de ‘autoritatieve’ opvoeding of gezag beter vervangen worden door de ‘inlevende opvoeding’ in een ‘verdiepende maatschappij’ die gekenmerkt wordt door de nieuwe fase na de ‘maatschappelijke gezagsstructuur zonder tussenvormen’ naar een postmoderne ‘maatschappelijke gezagsstructuren mét tussenvormen’. Onze maatschappij verdiept zich naarmate de maatschappelijke, technologische en wetenschappelijke innovaties voortschrijden. Onze maatschappij verdiept zich in alle aspecten van haar geledingen vanwege de ontwikkelingssnelheid van die op zichzelf staande ontwikkelingen die bijna exponentieel wordt. En dat zijn vaste gegevenheden waar niemand omheen kan. Politici die daar geen rekening mee houden, missen de boot.