Tags

Op basis van de vorige blog:  https://aquariuspolitiek.wordpress.com/2013/05/29/bezuinigingen-in-de-zorgsector-principes-en-gegroeide-werkelijkheid-trouw-zorg-verzorgingsstaat/ met daarin de stellingname dat het draagkrachtbeginsel niet alleen geldt voor sociaal-democraten, maar ook voor liberalen, het volgende bewijs uit de liberale praktijk.

Onderstaand citaat werd door fractievoorzitter mr.P.J. Oud in 1951 tijdens de Algemene Politieke beschouwingen uitgesproken toen hij sprak over de financiële (belasting)politiek en zich gedwongen voelde nog eens de onzuivere indrukken over zijn partij weg te menen, met name waar het gaat om het beginsel van de sterkste schouders die de zwaarste lasten dragen:

‘Ik moet er dan in de eerste plaats bezwaar tegen maken, MdV, dat (…) Donker heeft gezegd, dat het standpunt, o.a. ook van de zijde van mijn partij ingenomen, was, dat wij eigenlijk niet wensten, dat de sterkste schouders ook de zwaarste lasten zouden dragen. Dit is om te beginnen helemaal niet juist. De strijd is gelopen over de wijze van verdeling van de belastingdruk, waarbij een van de bezwaren van onze kant tegen het systeem aange­voerd, was, dat de mensen met de grote salarissen in het bedrijfsle­ven door de belastingverhoging, zoals zij door de Minister werd voorgesteld, niet werden getroffen en de veel kleinere be­drijfswinsten wel. (…) de stelling: het standpunt, dat gij hebt ingenomen bij de belastingverhoging, betekent, dat gij de rijken niet wilt laten betalen, onjuist.’

En over het karakter van het liberalisme zelf, dat in de laatste tientallen jaren veranderd is:

‘Er is natuurlijk ook in het liberale kamp, wat betreft de geestelij­ke instelling, in de laatste tientallen jaren ongetwijfeld iets veranderd. In mijn jeugd was ook overheersend de gedachte van de onophoudelijke vooruitgang; de wereld was niet zo kwaad, als ze werd afgeschilderd door onze orthodoxe landgenoten; wij waren in een stij­gende lijn van onafgebroken vooruitgang. Er zal van onze kant niemand meer in de Kamer zijn, die dit nog aanhangt; wij weten nu maar als te goed, dat er in de wereld ook zeer duistere machten werken.’[1]


    [1]Handelingen TK 1951, p.356‑357