Tags

,

Stelling: dat VVD-fractievoorzitter zijn nieuwe VVD-visie presenteerde aan de vooravond van ‘Verantwoordingsdag’ in de Tweede Kamer is tot daar aan toe, maar dat de socioloog Zijlstra beter hoort te weten is ernstiger en de vraag is of deze VVD de wetenschap aan zijn laars lapt. De redenering van Zijlstra is gezien zijn hoogwaardige opleiding een aanfluiting. Populisme is troef bij de VVD.

Bolle overheid kleiner (Halbe Zijlstra, Opinie/NRC Handelsblad, 15 mei)

De rol van de overheid is doorgeslagen. Het is een opgeblazen systeem dat onhoudbaar is geworden, daarom: ‘terug naar kerntaken’.

‘Naar mijn mening stellen wij ons daarbij [politieke verantwoording] te weinig de vraag of de overheid bepaalde taken wel hoort uit te voeren. Het gevolg is dat de overheid veel te veel doet. Dat is onwenselijk, onbetaalbaar en uiteindelijk onhoudbaar. De Nederlandse overheid zoals we die nu kennen is in oorsprong een liberale uitvinding. In 1848 was het de liberaal Thorbecke die met de invoering van de Grondwet de rechten van de Nederlanders ten opzichte van de staat verstevigde. Het waren ook de liberalen die sociale voorzieningen invoerden om het individu te beschermen, zoals de kinder-, ongevallen- en woningwet. Armoede, arbeidsongeschiktheid , kinderarbeid of slechte huisvesting stonden immers vrijheid en zelfontplooiing in de weg. Deze liberale verworvenheden hebben het land en de overheid gevormd. Maar de afgelopen decennia is de rol van de overheid doorgeslagen. Haar rol gaat nu veel verder dan het borgen van de vrijheid voor mensen om zich te ontplooien. Dat leidde tot een verregaande zorgplicht van en afgedwongen solidariteit door de overheid. Zo ontvangt ruim tweederde van de bevolking miljarden aan kind-, huur-, of zorgtoeslag. Hier komen nog eens allerlei persoonsgebonden budgetten, tegemoetkomingen, vergoedingen wen basisbeurzen bij. En dat staat los van alle sociale verzekeringen waar elke Nederlander een beroep op kan doen, om nog maar te zwijgen over de miljarden subsidies, garantstellingen en verzekeringen aan instellingen en bedrijven. Dit opgeblazen systeem is onhoudbaar.’

Wat is er mis aan deze ‘tour d’ horizon’ door de parlementaire geschiedenis zoals Zijlstra die schetst? Heel veel, zoals hierbij zal worden uitgelegd. In de eerste plaats wordt hier een uitgesproken klassieke liberale visie gepresenteerd als de hoogst geldende wijsheid, terwijl Zijlstra bekend moet zijn met de parlementaire verhoudingen in ons land van twee eeuwen geleden en moet weten hoe aartsvader Thorbecke tegen de absolutistische macht van de Koning (Willem II) en zijn conservatieve hofhouding in zijn dagen moest vechten. De liberalen waren toen links en dus hervormingsgezind en wilden een revolutionaire omwenteling naar een burgermaatschappij waarin de democratische grondbeginselen stevig gefundeerd waren en waarin de Koning niet meer zijn absolute heerschappij kon uitoefenen.

In de tweede plaats is de liberale grondwet van 1848 en daarbij de liberale overheid weliswaar een liberale uitvinding maar niet vergeten mag worden dat er geen eenduidige liberale partij in het parlement bestond, zoals er helemaal geen partijen bestonden want die zijn pas aan het einde van de 19e eeuw verschenen. Het waren individuele kiesmannen die zich een plaats in de Kamer moesten bevechten en zelfs de liberale linkerzijde was zeer verdeeld tegenover de conservatieve en overwegend confessionele rechterzijde. De grondwet van 1848 was het hoogst haalbare compromis dat de meerderheid wist te halen zonder liberale eensgezindheid, want ook onder hen waren conservatief liberalen.

In de derde plaats is ons kleine landje met een pluriform want rijkgeschakeerd palet aan denominaties een uitgesproken coalitieland en dat betekent dat het liberale deel een minderheid is onder vele andere minderheden. De hele wetgevingssystematiek is dus altijd veelkleurig geweest en van een liberaal product kan dus niet gesproken worden, en dat is het meest opvallende van deze tekst dat hierover met geen woord wordt gerept. De vraag is zelfs of Zijlstra het standaardwerk Honderd jaren van P.J. Oud wel gelezen heeft. Op basis van dat college en verplichte scriptie wat deze tekst zonder meer met een onvoldoende teruggestuurd wegens ‘onverdedigbaarheid’. Bijgevolg: ‘Het gevolg is dat de overheid veel te veel doet. Dat is onwenselijk, onbetaalbaar en uiteindelijk onhoudbaar’ is Zijlstra’s mening namens de VVD, maar daar denken andere (latere) politieke partijen tot vandaag aan toe heel anders over. Dat Zijlstra en zijn partij nu op dit moment de bezuinigingsnoodzaak ‘meehebben’ want ingegeven door de eurolandencrisis, is een tijdelijke bijzaak want als de nationale financiële begrotingsstaat van de lidstaten van de EU als geheel op orde zijn gebracht, moet alsnog bezien worden waar te zwaar is bezuinigd en waar andere onrechtvaardige verhoudingen zijn geschapen zoals gerechtvaardigde inkomens- en vermogensverhoudingen. Het kan immers niet zo zijn dat Griekse scheepvaartmiljardairs de dans zijn ontsprongen ten koste van het relatief grootste deel van de Griekse bevolking die armlastig is. Dit beeld gaat dus niet alleen voor Griekenland op maar voor alle EU-lidstaten. De EU zal een beschaafde economische unie zijn of helemaal niet bestaan. En ‘helemaal niet bestaan’ behoort op dit moment nog heel goed tot de reëel mogelijkheden want een implosiegevaar is nog aanwezig. Maar de huidige reddingsoperatie van de Europese munt is vertegenwoordigt ook een identiteitscrisis omdat het aloude ideaal van een vreedzame Europese economische samenwerkingsunie inmiddels tegen zijn eigen grenzen van haalbaarheid en legitimiteit is aangelopen.

In de vierde plaats kanttekeningen bij de zin ‘Het waren ook de liberalen die sociale voorzieningen invoerden om het individu te beschermen, zoals de kinder-, ongevallen- en woningwet. Armoede, arbeidsongeschiktheid , kinderarbeid of slechte huisvesting stonden immers vrijheid en zelfontplooiing in de weg.’ Deze formulering staat ver van de historische werkelijkheid af, zoals blijkt uit lezing van genoemd handboek Honderd jaren. Verwacht mag worden dat Zijlstra dat boek als VVD-lid kent en bestudeerd heeft, want niet iedere socioloog krijgt het vak staatsrecht of staatkunde in zijn curriculum mee. Alleen al de instelling van het parlementaire onderzoek dat uiteindelijk leidde tot het kinderwetje van Van Houten heeft erg veel voeten in de aarde gehad. Om deze vergroving van de historische schets die Zijlstra weergeeft, verdenk ik hem en zijn fractie van populisme. Richting het klassieke liberalisme wel te verstaan en dat is een doodlopende weg. Het klassieke liberalisme van ‘laissez faire, laissez passer’ werd al in het eerste beginselprogramma van de VVD (1948) nadrukkelijk afgewezen. Zijlstra heeft kortom het populistische tij mee maar het historische tijdsbesef tegen.

In de vijfde plaats staat de hele laatste passage, die bestaat uit de laatste twee geciteerde zinnen (‘Dat leidde tot een verregaande zorgplicht van en afgedwongen solidariteit door de overheid’), uit niet alleen een miskenning van andere fracties die hebben meegewerkt aan het huidige stelsel van sociale zekerheid, maar dient ook als beledigend te worden gezien aan hun adres in verband met hun welbewuste bijdrage hieraan, waarbij zij van mening waren dat de ‘naoorlogse’ VVD tekortschoot vanwege zijn eigen conservatisme. Zelf ben ik afgestudeerd op een politicologische scriptie onder de titel ‘Het Nederlandse liberalisme en verzorgingsstaat’ (1980; niet gepubliceerd) en een van mijn conclusies was dat de VVD de opbouw van ‘onze’ verzorgingsstaat met de mond beleden heeft maar nooit van harte eraan meegewerkt maar in haar weerstand altijd door andere fracties is weggestemd. Dat zijn dus de feiten. De VVD stond dus eenzaam en alleen in dit opbouwproces van de verzorgingsstaat, waarbij alle overige grote partijen binnen onze Kamer van harte en uit noodzaak aan meewerkte. En … de VVD heeft nimmer structureel dwarsgelegen met moties van afkeuring om dat ‘gedrocht’ tegen te houden. Zijlstra heeft dus geen enkel argument in handen om nu zozeer stoom af te blazen tegen wat hij de ‘verregaande zorgplicht van en afgedwongen solidariteit door de overheid’ noemt. Van afgedwongen solidariteit is geen sprake omdat de Kamers steeds in grote meerderheid hebben besloten tot goedkeuring van alle betrokken wetten. Hooguit kan nu populistisch worden tegengeworpen dat de politici in beide Kamers niet representatief waren voor wat er onder de bevolking leefde, maar zelfs in dat geval heeft Zijlstra de ‘schijn’ tegen aangezien het SCP jaar in jaar uit met onderzoeken bevestigt dat de Nederlandse bevolking in grote meerderheid achter de huidige verzorgingsstaat ‘staat’. Zijlstra, zo mag de conclusie zijn, stelt zich niet als Thorbeckiaan op, maar als een van zijn liberale conservatieve tegenstrevers in de 19e eeuw, want Zijlstra valt in deze tekst geheel door de mand met zijn oerconservatieve opvattingen van de minimale overheid. Zijlstra is een libertariër in plaats van een ware liberaal. Constructief zou de politiek leider van de VVD pas geweest zijn als hij had opgeroepen tot een open en wetenschappelijk verantwoord debat over het wezen van de verzorgingsstaat. Hij zou immers alleen gelijk hebben gehad met de stelling dat het huidige stelsel te veel een lappenmand is geworden en dat er reden is om tot een eenduidig en overzichtelijk stelsel van sociale voorzieningen te komen. Die evaluatie zal echter pas aan de orde zijn als de Europese landencrisis voorbij is en ‘dan pas’ kan alles in Europees perspectief geplaatst omdat het niet zo kan zijn dat ons land te ruimhartig is en de Griekse nationale overheid te karig. De harmonisatie van de versplinterde Europese stelsels gaat de beleidsmakers ‘daar’ in Brussel nog heel wat hoofdbrekens bezorgen.

Op basis van deze gegevenheden wordt hieronder verder volstaan met een aantal losse signalementen vanuit de tekst van Zijlstra:

‘De kleine groep mensen die de voorzieningen echt nodig heeft, wordt weggedrukt. Zij krijgen niet de zorg, ondersteuning of woning die zijn zouden kunnen krijgen.’

Dit is een onbewezen stelling en mag als zin alleen geformuleerd worden als er bewijsmateriaal voorhanden is. De kleine groep mensen die de voorzieningen echt nodig heeft, krijgt deze voorzieningen natuurlijk toegewezen, al was het alleen al vanwege de druk van de publieke opinie.

‘Zo is – ondanks het feit dat de sociale huursector hier groter is dan in omringende landen – juist in Nederland regelmatig sprake van lange wachtlijsten.’

Hier wordt een vermeend feit verward met een vastgelopen systeem, en die bestaat uit een vastgelopen huizenmarkt en geprivatiseerde woningcorporaties die eveneens zijn vastgelopen vanwege denkfouten onder Paars 1 en 2 toen liberalisering en privatisering als antwoord op de bureaucratische maatschappij werden gezien. Maar parlementair onderzoek in de senaat heeft aangetoond dat deze ‘omzetting’ ondoordacht was.

‘Dit [valse verwachtingen wekken] kan niet ongebreideld doorgaan.’

Zijlstra weet evengoed als ieder ander dat onder het huidige bezuinigingsregime dat EU-wijd geldt, dat deze ongebreidelde expansie van ‘overheidsmacht’ niet aan de orde is. Waarom wordt die suggestie dan wel gewekt?

‘Er zullen keuzes gemaakt moeten worden wat de overheid kan en moet doen. Het uitgangspunt moet zijn dat mensen heel goed zelf in staat zijn voor het merendeel aan sociale voorzieningen te zorgen. De samenleving is zelfs het meest sociale distributiemechanisme.’

Wat is staat is eveneens onzin, het best te vergelijken met de veelgehoorde metafoor dat er zestien miljoen bondscoaches rondlopen in ons land die het beter weten dan de enige echte bondscoach (onder Van Gaal is dat geluid geluwd overigens). Er dienen inderdaad keuzes te worden gemaakt in wat houdbaar is aan vergoedingen in het zorgstelsel, maar…maar…  daarover verschillen de meningen heftig. Moeten eetverslaafden en veelrokers even ruimhartig vergoed worden als chronisch zieken en bewust gezondlevenden? Om maar een enkel dilemma tussen de vele andere te noemen. De vraag wat de overheid kan en moet doen is dus een kwestie van vele tegenstrijdige visies waar de bevolking nooit uitkomt omdat er een automatische Babylonische spraakverwarring ontstaat. Daarvoor hebben we dus ook – in theorie – een parlementair stelsel ingericht, maar als het gezag van dat bestel sterk onder druk is komen te staan, dan heeft dat parlement ook geen legitimiteit meer en staan de politieke partijen niet meer voor de afspiegeling van ‘de’ bevolking. Dat blijkt ook wel als maar twee procent van de bevolking lid is van een partij. Overigens ben ik zelf ook principieel partijloos geworden na 40 jaar lid te zijn geweest van in totaal 4 gevestigde partijen. Conclusie is dus dat ons parlementaire bestel op instorten staat. Laten we dus onze huidige ICT- en communicatietechniek gebruiken om een digitaal parlementair bestel in te richten, want die technische mogelijkheid bestaat zoals Maurice de Hond heeft bewezen met zijn schaduwkamer.nl. Maar hier doet zich het wezenlijke probleem voor, te weten dat de Staten-Generaal nooit zal meewerken aan of instemmen met de eigen ondergang of zijn bestaansrecht ten gunste van een beter lopend digitaal-parlementair bestel. Een tussenoplossing zou kunnen bestaan uit een aanpassing van de kieswet waarbij alle ‘blancostemmen’ worden opgeteld om daarmee het aantal onbezette Kamerzetels te bepalen. Dan zien we het volgende beeld al voor ons: maar twee procent van de Tweede Kamer wordt gevuld door officiële vertegenwoordigers namens de nog resterende partijen, omdat het aantal niet-leden van partijen massaal (met Noord-Koreaanse of Chinese percentages) naar de stembus gaan om daar blanco te stemmen. Dit is dus de kloof tussen burger en bestuurder, die altijd ontkend wordt, maar wel werkelijkheid is. Ook daar mag Zijlstra eens over gaan nadenken, want alleen hij zou als enige VVD’er zijn overgebleven in die nieuwe Tweede Kamer als de kieswet eerlijker zou werken. Kortom, geef de blancostem eindelijk de ruimte die het verdient, namelijk als protest tegen de gevestigde politieke orde. Dit betoog is dus een proteststem tegen de opvattingen van de VVD-fractie onder Zijlstra; dat moge duidelijk zijn.